Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:256

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-01-2018
Datum publicatie
30-01-2018
Zaaknummer
17/1074 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Door Uwv uitvoering gegeven aan uitspraak van 17 augustus 2016 met aanvullende beslissing op bezwaar van 14 maart 2017. Specificatie nabetaling meegenomen in onderhavige beoordeling. Geen gronden aangevoerd tegen aanvullende beslissing. Door appellant aangevoerde gronden betreffen punten waarover in uitspraak van 17 augustus 2016 een eindoordeel is gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1074 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het beroep tegen het besluit van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van 28 december 2016.

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 17 januari 2018

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van 17 augustus 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:3088) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Amsterdam vernietigd en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat tegen het door het Uwv nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld. De Raad heeft tevens het Uwv veroordeeld tot vergoeding aan appellant van de wettelijke rente zoals in de uitspraak is vermeld.

Bij besluit van 28 december 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en op 14 maart 2017 een aanvullende beslissing op bezwaar genomen.

Partijen hebben op elkaars standpunten gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2017. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraak van 17 augustus 2016. Hij voegt daar het volgende aan toe.

1.2.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 17 augustus 2016 overwogen dat het Uwv heeft erkend dat het WAO-dagloon per 1 maart 1978 had moeten worden vastgesteld op fl. 84,05 in plaats van fl. 80,44 en geoordeeld dat het Uwv appellant niet tekort heeft gedaan door te bepalen dat aan de betaling van de WAO-uitkering naar dit hogere dagloon terugwerkende kracht wordt toegekend tot 1 januari 2008. Dat zou slechts anders zijn als appellant aan een brief van het Uwv van 13 maart 2013 het gerechtvaardigde vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat met ingang van een eerdere datum dan 1 januari 2008 zal worden nabetaald. In de brief van 13 maart 2013 is niet een toezegging te lezen dat een nabetaling betrekking zal hebben op de gehele periode vanaf 1 maart 1978. Door de terugwerkende kracht van de betaling van de WAO-uitkering te beperken tot 1 januari 2008 heeft het Uwv niet gehandeld in strijd met uit de wet en de rechtspraak voortvloeiende regels.

1.3.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 17 augustus 2016 tevens vastgesteld dat de bespreking door partijen ter zitting van de door appellant gestelde schadeposten ertoe heeft geleid dat de vordering van appellant om het Uwv in deze procedure te veroordelen tot vergoeding van schade, behoudens renteschade, niet door hem wordt gehandhaafd.

1.4.

Het Uwv heeft ter uitvoering van deze uitspraak het thans bestreden besluit genomen. In dat besluit heeft het Uwv vastgesteld dat, uitgaande van een dagloon van fl. 84,05 per

1 maart 1978, het geïndexeerde WAO-dagloon vanaf 1 januari 2008 € 101,96 bedraagt. In de aanvullende beslissing op bezwaar van 14 maart 2017 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant over de periode van 1 januari 2008 tot 1 januari 2017 nog een bedrag van € 8.404,20 bruto

(€ 4.572,73 netto) ontvangt. Daarnaast heeft het Uwv een bedrag van € 1.105,22 aan wettelijke rente vergoed.

2. Appellant heeft tegen het bestreden besluit samengevat aangevoerd dat de Raad in zijn uitspraak van 17 augustus 2016 niet heeft bevestigd dat appellant pas vanaf 2008 de door het Uwv gemaakte fouten bij de berekening van zijn WAO-dagloon kon aantonen. Bovendien acht appellant het standpunt van het Uwv niet in overeenstemming met de in de brief van het Uwv van 13 maart 2013 toegezegde gronden waarop een besluit zou worden genomen.

3. Het Uwv heeft in zijn verweerschrift aangevoerd dat de Raad in zijn uitspraak van

17 augustus 2016 heeft bevestigd dat het Uwv op juiste wijze de terugwerkende kracht van de betaling van de WAO-uitkering op grond van het herziene dagloon heeft beperkt tot

1 januari 2008 en dat de Raad in zijn uitspraak de brief van het Uwv van 13 maart 2013 reeds heeft betrokken. Volgens het Uwv zijn de gronden die appellant aanvoert tegen het bestreden besluit feitelijk gericht tegen de uitspraak van de Raad van 17 augustus 2016.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In de uitspraak van 17 augustus 2016 heeft de Raad het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, omdat de Raad zelf niet beschikte over alle gegevens die nodig zijn voor de aanpassing van de specificatie van het na te betalen bedrag aan uitkering. In het bestreden besluit is deze specificatie niet gegeven. Volstaan is met de vaststelling dat het geïndexeerde WAO-dagloon vanaf 1 januari 2008 € 101,96 bedraagt en de aankondiging dat appellant over de nabetaling van de uitkering zo spoedig mogelijk aanvullend zal worden geïnformeerd met een specificatie. In de aanvullende beslissing op bezwaar van

14 maart 2017 – die op grond van artikel 6:19 van de Awb in de beoordeling wordt betrokken – is deze specificatie gegeven. Hieruit volgt dat met het bestreden besluit niet volledig uitvoering is gegeven aan de in de uitspraak van 17 augustus 2016 gegeven opdracht. Gelet hierop is het beroep gegrond en zal dit besluit worden vernietigd.

4.2.

Ten aanzien van het besluit van 14 maart 2017 wordt als volgt overwogen.

4.3.

De Raad heeft in de uitspraak van 17 augustus 2016 een eindoordeel gegeven over de punten die onder 2 zijn genoemd. De gronden die appellant thans aanvoert komen neer op het opnieuw openen van de discussie over deze geschilpunten. Deze gronden kunnen echter niet meer aan de orde komen omdat de omvang van het geding is beperkt tot de vraag of het Uwv met de besluiten van 28 december 2016 en 14 maart 2017 op de juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Raad.

4.4.

Appellant heeft geen gronden aangevoerd tegen de bedragen aan na te betalen uitkering en wettelijke rente, zoals gespecificeerd in de beslissing van 14 maart 2017. Ter zitting heeft hij verklaard dat deze bedragen correct zijn berekend.

4.5.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het beroep tegen het besluit van 14 maart 2017 ongegrond is.

4.6.

Er bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 15,- voor reiskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep tegen het besluit van 28 december 2016 gegrond en vernietigt dat

besluit;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 14 maart 2017 ongegrond;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 15,-;
- bepaalt dat het Uwv het door appellant betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt als voorzitter en H.G. Rottier en E.J.J.M. Weyers als leden, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2018.

(gerekend) E. Dijt

(gerekend) M.A.A. Traousis

TM