Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2557

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-08-2018
Datum publicatie
20-08-2018
Zaaknummer
18/1070 WWB-VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afgewezen verzoek om voorlopige voorziening. Geen spoedeisend belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18/1070 WWB-VV

Datum uitspraak: 14 augustus 2018

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

het college van burgemeester en wethouders van Ede (college)

PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 januari 2018, 16/5434, en een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het college heeft op verzoek van de Raad nadere informatie verstrekt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2018. Verzoekster is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Klok.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Verzoekster leefde sinds februari 1996, gescheiden van haar echtgenoot [naam echtgenoot] ( [X] ), samen met hun vier kinderen in de voormalige echtelijke woning (de woning). Tot en met september 1996 heeft [X] de hypotheeklasten betaald. In oktober 1996 is [X] in het bijzijn van de kinderen met een tractor op verzoekster ingereden. Zij is hierdoor invalide geraakt.

1.2.

Naar aanleiding van een aanvraag van verzoekster van 21 november 1997 heeft het college in de periode van 21 november 1997 tot 21 november 1999 bijzondere bijstand voor woonkosten van de woning (woonkostentoeslag) aan haar toegekend tot bedragen variërend tussen f 1.911,70 en f 1.708,31 per maand. In de toekenningsbesluiten is vermeld dat de woonkostentoeslag wordt teruggevorderd als na ontbinding van het huwelijk blijkt dat zij beschikt over een vermogen dat het voor haar geldende vrij te laten vermogen overschrijdt. Op 30 maart 2010 is de voormalige echtelijke woning verkocht. Het aandeel van verzoekster in de overwaarde bedroeg € 152.263,06.

1.3.

Bij besluit van 28 juli 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 januari 2011 (bestreden besluit), heeft het college op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de Wet werk en bijstand (WWB) de aan verzoekster verstrekte woonkostentoeslag tot een bedrag van € 19.243,09 van haar teruggevorderd.

1.4.

Het college heeft beslag gelegd op het tegoed van verzoekster bij de notaris. In februari 2014 is de vordering in zijn geheel voldaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

3. Verzoekster heeft de Raad verzocht een voorlopige voorziening te treffen om ervoor te zorgen dat haar dossier compleet wordt en dat het college de aan haar verstrekte bijzondere bijstand op [X] verhaalt.

4. De Voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van de artikelen 8:104, eerste lid, en artikel 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Nu het college de teruggevorderde woonkostentoeslag al in 2014 volledig heeft ingevorderd, appellante momenteel in aanvulling op inkomsten bijstand ontvangt, er niets op haar uitkering wordt ingehouden en de Raad op korte termijn uitspraak zal doen in de bodemzaak die ook op 31 juli 2018 is behandeld, is er geen aanleiding om aan te nemen dat de uitspraak in de hoofdzaak niet zou kunnen worden afgewacht. In de bodemzaak zal de Raad beslissen of er voor de beoordeling van de zaak relevante stukken ontbreken. Gelet hierop is er geen spoedeisend belang dat noopt tot het treffen van een voorlopige voorziening.

4.3.

Uit het vorenstaande volgt dat niet is voldaan aan de in artikel 8:81 van de Awb gestelde voorwaarden, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2018.

(getekend) J.N.A. Bootsma

(getekend) J.M.M. van Dalen

rh