Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2553

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-07-2018
Datum publicatie
17-08-2018
Zaaknummer
17/427 AW-PV
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontzegging uitkering op grond van het Besluit bovenwettelijk werkloosheidsuitkering politie (Bbwp). Uit artikel 1, eerste lid, sub b, en artikel 2 van het Bbwp blijkt duidelijk dat iemand alleen betrokkene is in de zin van het Bbwp als hij – kort gezegd – een politieambtenaar is en is ontslagen op een van de met name genoemde gronden. Daartoe behoort niet een disciplinair ontslag op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 427 AW-PV

Datum uitspraak: 26 juli 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 december 2016, 16/567 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Zitting hebben: mr. C.C.W. Lange, mr. H.G. Rottier en mr. G.A.J. van den Hurk

Griffier: G.D. Alting Siberg

Ter zitting zijn verschenen: appellant, mr. F. Aarts, gemachtigde van appellant, en

drs. J.C. van Beek, gemachtigde van het Uwv.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

1. Het gaat om een uitkering op grond van het Besluit bovenwettelijk werkloosheidsuitkering politie (Bbwp). De uitkering is ontzegd en in de beslissing op bezwaar heeft die ontzegging stand gehouden. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de korpschef zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat appellant geen betrokkene is in de zin van het Bbwp. Appellant is ontslagen bij wijze van disciplinaire straf, met toepassing van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Die bepaling hoort niet tot de in artikel 1, eerste lid aanhef en onder b, van het Bbwp genoemde ontslaggronden. Appellant is dus geen betrokkene in de zin van het Bbwp en heeft daarom geen aanspraak op een uitkering op grond van deze regeling. De rechtbank heeft overwogen dat de vraag of sprake is van verwijtbare werkloosheid, dan wel of aan het ontslag een subjectief dringende reden ten grondslag lag verder niet relevant is.

2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die de rechtbank aan het oordeel ten grondslag heeft gelegd. Uit artikel 1, eerste lid, sub b, en artikel 2 van het Bbwp blijkt duidelijk dat iemand alleen betrokkene is in de zin van het Bbwp als hij – kort gezegd – een politieambtenaar is en is ontslagen op een van de met name genoemde gronden. Daartoe behoort niet een disciplinair ontslag op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp. Zie ook uitspraak van de Raad van 14 november 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB9309, waarbij een politieambtenaar die ontslag kreeg op eigen verzoek op dezelfde grond geen bovenwettelijke uitkering ontving.

3. De stelling van appellant dat de bovenwettelijke uitkering altijd de uitkering op grond van de Werkloosheidswet volgt of zou moeten volgen en dat wanneer geen sprake is van verwijtbare werkloosheid hij ook aanspraak heeft op bovenwettelijke uitkering gaat niet op. De uitspraak van de Raad waarnaar appellant verwijst van 10 oktober 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB9707, heeft betrekking op een uitkering op grond van het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voorgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs (Bbwo). Die regeling hanteert een ander begrip ‘betrokkene’ (artikel 1, aanhef en onder b, van het Bbwo) dan het Bbpw. In het Bbwo speelt – anders dan in het Bbwp – de ontslaggrond geen rol bij de vraag of iemand betrokkene is in de zin van de regeling. Daarom slaagt het standpunt van appellant niet.

4.Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

De griffier De voorzitter

(getekend) G.D. Alting Siberg (getekend) mr. C.C.W. Lange

IvR