Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2548

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-08-2018
Datum publicatie
17-08-2018
Zaaknummer
16/5305 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. Op de grond appellant meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de verzekeringsartsen van het Uwv appellant op 26 oktober 2015 op goede gronden in staat hebben geacht ten minste een van de in het kader van de EZWb geselecteerde functies te vervullen. Zoals de rechtbank heeft opgemerkt zijn alle door appellant gestelde klachten gewogen en is van een toename van lichamelijke of psychische beperkingen sinds de EZWb niet kunnen blijken. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe gronden aangevoerd of nieuwe medische stukken ingediend. De stelling van appellant dat zijn medische situatie na de EZWb is verslechterd, heeft hij niet onderbouwd. Geen reden om het verzoek van appellant om een onafhankelijke deskundige te benoemen in te willigen. De hiervoor noodzakelijke twijfel ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5305 ZW

Datum uitspraak: 16 augustus 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

3 augustus 2016, 16/1071 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Witte. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J.F. Bär.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als medewerker handinpak. Op 26 mei 2014 heeft hij zich ziek gemeld met psychische klachten. Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 19 mei 2015 vastgesteld dat appellant per

26 juni 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kon verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Appellant werd niet meer in staat geacht tot het verrichten van zijn arbeid als machine operator, maar wel tot het vervullen van diverse andere functies. De functies waar appellant na de bezwaarfase geschikt voor is geacht zijn snackbereider (handmatig) (SBC-code 111071), productiemedewerker textiel, geen kleding (SBC-code 272043), medewerker intern transport (SBC-code 111220) en nog twee reserve functies. Appellant heeft geen beroep ingesteld bij de rechtbank.

1.3.

Het Uwv heeft appellant per 26 juni 2015 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Appellant heeft zich op 26 oktober 2015 opnieuw ziek gemeld met dezelfde klachten als bij de eerdere ziekmelding op 26 mei 2014. In verband met de ziekmelding per 26 oktober 2015 heeft hij op 2 december 2015 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant per 26 oktober 2015 subsidiair 2 december 2015 geschikt geacht voor de in het kader van de EZWb geselecteerde functies die genoemd zijn in 1.2. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 2 december 2015 vastgesteld dat appellant per 26 oktober 2015 subsidiair 2 december 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van

5 februari 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 februari 2016 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat nu appellant geen beroep heeft ingesteld tegen de EZWb die beoordeling niet meer ter discussie staat. Dat betekent dat de belastbaarheid van appellant per 25 mei 2015 juist is vastgesteld en dat de geduide functies op die datum voor hem passend waren. Niet gebleken is dat de door appellant gestelde klachten van lichamelijke dan wel psychische aard per die datum die in dit geding van belang is zodanig zijn toegenomen ten opzichte van de EZWb dat dit zou leiden tot het aannemen van meer beperkingen en ongeschiktheid voor een van de geduide functies.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de klachten op diverse gebieden zijn toegenomen. Hij was al bekend met duizeligheid, maar hij is nu ook enkele keren flauwgevallen. Verder zijn zijn ureumwaarde, suikerwaarde en bloeddruk te hoog. Er zijn klachten aan de rug en voeten en appellant gaat zich lichamelijk steeds slechter voelen. Dit veroorzaakt weer meer angst en paniek. Appellant heeft de Raad verzocht een psychiater te benoemen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na 52 weken ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de EZWb. Het gaat daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste een van de geselecteerde functies (zie de uitspraak van de Raad van 22 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1225).

4.2.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de verzekeringsartsen van het Uwv appellant op 26 oktober 2015 op goede gronden in staat hebben geacht ten minste een van de in het kader van de EZWb geselecteerde functies te vervullen. Zoals de rechtbank heeft opgemerkt zijn alle door appellant gestelde klachten gewogen en is van een toename van lichamelijke of psychische beperkingen sinds de EZWb niet kunnen blijken. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe gronden aangevoerd of nieuwe medische stukken ingediend. De stelling van appellant dat zijn medische situatie na de EZWb is verslechterd, heeft hij niet onderbouwd. De rechtbank heeft op goede gronden geconcludeerd dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellant per 26 oktober 2015 geen recht heeft op ziekengeld.

4.3.

Er is geen reden om het verzoek van appellant om een onafhankelijke deskundige te benoemen in te willigen. De hiervoor noodzakelijke twijfel ontbreekt.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2018.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) H. Achtot

NW