Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2546

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-08-2018
Datum publicatie
17-08-2018
Zaaknummer
16/4630 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW-uitkering terecht beëindigd. Maatgevende arbeid. Het Uwv heeft terecht geconcludeerd dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden van de betreffende uitzonderingssituatie. Daarom is terecht voor de berekening van het maatmaninkomen per uur en de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante het werk bij werkgever 2 als maatgevende arbeid aangenomen. Voldoende medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4630 ZW

Datum uitspraak: 16 augustus 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

20 mei 2016, 15/4475 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J. Hoogendoorn, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2018. Namens appellante is

mr. Hoogendoorn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. K. Bolier.

De Raad heeft het onderzoek na de zitting heropend om het Uwv in de gelegenheid te stellen een aantal vragen te beantwoorden. Het Uwv heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 5 juli 2018. Namens appellante is mr. Hoogendoorn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Bolier en M. Landman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Van 14 december 2004 tot 30 november 2010 heeft appellante gewerkt als secretaresse bij [naam werkgever 1] ( [naam werkgever 1] ). Vervolgens is appellante in aanmerking gebracht voor (onder meer) een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op 14 april 2014 is appellante in dienst getreden bij [naam werkgever 2] ( [naam werkgever 2] ) als secretaresse. Per 25 april 2015 heeft zij zich ziek gemeld met psychische klachten. Vanaf die datum heeft het Uwv appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts appellante op 17 maart 2015 op zijn spreekuur gezien. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 17 maart 2015. Een arbeidsdeskundige heeft appellante niet meer in staat geacht haar functie als secretaresse uit te oefenen, vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante nog 67,59% van haar zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 31 maart 2015 vastgesteld dat appellante met ingang van 24 mei 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 7 augustus 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 juli 2015, een nieuwe FML van diezelfde datum en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 5 augustus 2015 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 5 augustus 2015 uiteen heeft gezet dat en waarom het werk als secretaresse bij [naam werkgever 2] als maatgevende arbeid moet worden aangemerkt. De rechtbank heeft overwogen dat de hoofdregel is dat de laatst verrichte arbeid de maatgevende arbeid is en dat van die hoofdregel kan worden afgeweken als de verzekerde heeft hervat in werk met een lager loon op een moment dat nog recht op WW bestaat. Zij heeft appellante niet gevolgd in haar stelling dat als maatgevende arbeid het werk als secretaresse bij [naam werkgever 1] met een hoger loon had moeten worden aangenomen, omdat sprake is van een ziekmelding na het bereiken van de maximale duur van de WW-uitkering. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht en dat zij geen aanleiding heeft om te twijfelen aan de uitkomst van dit onderzoek. Zij heeft verder overwogen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat de belasting in de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat de functie van secretaresse bij [naam werkgever 1] , met een hoger uurloon dan de functie van secretaresse bij [naam werkgever 2] , de maatgevende arbeid is. Zij heeft aangevoerd dat uit een besluit van het Uwv van 6 mei 2014 blijkt dat de WW-uitkering feitelijk pas per 30 april 2014 is beëindigd en dat het onredelijk is om niet van die datum uit te gaan. Appellante heeft verder gesteld dat het Uwv de einddatum van deze uitkering verkeerd heeft berekend door uit te gaan van een ingangsdatum van 1 november 2010 in plaats van

1 december 2010. Daarnaast heeft appellante gesteld dat zij op dit moment niet in staat is om enige functie uit te oefenen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter beantwoording staat de vraag welke arbeid als maatgevend moet worden aangemerkt. Hierbij geldt als hoofdregel dat de laatstelijk voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid verrichte arbeid de maatgevende arbeid is. Voor appellante brengt dit mee dat haar werkzaamheden bij [naam werkgever 2] hebben te gelden als de maatgevende arbeid.

4.2.

Ter zitting van 18 januari 2018 heeft het Uwv een hoofdstuk uit een intern Handboek wet- en regelgeving Sociaal Medische Zaken overgelegd met de titel ‘Maatgevende arbeid en omvang’. Het Uwv heeft te kennen gegeven dat conform dit Handboek is beslist. Omdat bij de Raad een aantal (algemene) vragen waren gerezen over dit tot aan deze zitting de Raad nog niet bekende beleid, is het onderzoek heropend en zijn vragen gesteld. Vastgesteld wordt dat in het overgelegde hoofdstuk uitzonderingen staan vermeld op de hiervoor beschreven hoofdregel. Onder die uitzonderingen wordt de situatie vermeld dat een betrokkene aansluitend op een geëindigd dienstverband geen WW-uitkering aanvraagt maar lager gekwalificeerde arbeid (lees: lager betaalde arbeid) aanvaardt:

“Het zou dan niet redelijk zijn die lager gekwalificeerde arbeid vervolgens als maatgevende arbeid te hanteren. Wanneer de betrokkene een WW-recht verkregen zou hebben, zou namelijk wel van de oude arbeid zijn uitgegaan. Een variant hierbij is nog, dat er wel een WW-recht geweest is dat is ingetrokken vanwege de werkhervatting, voordat de maximale uitkeringsduur WW is bereikt. De maatgevende arbeid is de vroegere arbeid, als de arbeidsongeschiktheid intreedt op een moment waarop betrokkene nog recht gehad zou hebben op WW-uitkering, als hij na het verlies van de oude arbeid niet (aansluitend) ander werk gevonden had.”

4.3.

Dit beleid over de maatgevende arbeid waarin ten gunste van de verzekerde wordt afgeweken van de hoofdregel, moet worden aangemerkt als buitenwettelijk begunstigend beleid. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van

26 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2297) beoordeelt de bestuursrechter slechts of het buitenwettelijk begunstigend beleid consistent is toegepast en geeft hij geen oordeel over de vraag of het buitenwettelijk begunstigend beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten gaat, of dat het beleid (kennelijk) onredelijk is, dan wel of er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht op grond waarvan van dat beleid moet worden afweken. Er is geen aanleiding om te oordelen dat het Uwv dit beleid niet op consistente wijze heeft toegepast.

4.4.

Het Uwv heeft (al) in beroep toegelicht (en in hoger beroep herhaald) dat 22 april 2014 de laatste dag zou zijn geweest waarop appellante nog recht zou hebben gehad op een

WW-uitkering als zij niet bij [naam werkgever 2] in dienst was getreden. Bij het besluit van

10 oktober 2012 over de voortzetting van de WW-uitkering is namelijk vastgesteld dat appellante tot en met 19 april 2014 recht had op deze uitkering. Zij heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Nu appellante in de periode daarna dertien weken en drie dagen ziek is geweest, is de datum van 19 april 2014 met drie dagen opgeschoven naar

22 april 2014, omdat de eerste dertien weken op grond van artikel 43, derde lid, van de WW bij deze berekening buiten beschouwing worden gelaten. Niet gebleken is dat de datum van

22 april 2014 onjuist is vastgesteld. De stelling van appellante dat het Uwv bij de berekening van de laatste dag waarop zij recht had op een WW-uitkering is uitgegaan van een onjuiste ingangsdatum mist feitelijke grondslag en slaagt daarom niet. Geconcludeerd wordt dan ook dat appellante op de dag dat zij zich ziek meldde (25 april 2014) geen recht meer op een

WW-uitkering gehad zou hebben als zij niet bij [naam werkgever 2] zou zijn gaan werken.

4.5.

De omstandigheid dat de WW-uitkering feitelijk nog is doorbetaald tot 30 april 2014, maakt het voorgaande niet anders. Het Uwv heeft inzichtelijk uiteengezet dat aan het besluit van 6 mei 2014 ten grondslag ligt dat de WW-uitkering na afloop van het dienstverband met [naam werkgever 2] is voortgezet. De beroepsgrond van appellante dat het onredelijk is om niet uit te gaan van de datum waarop het recht op WW feitelijk is geëindigd, slaagt dan ook niet, omdat bepalend is op welke dag het recht op WW zou zijn geëindigd als appellante niet bij [naam werkgever 2] zou zijn gaan werken.

4.6.

Aan de pas ter zitting van 5 juli 2018 naar voren gebrachte beroepsgrond over een op internet gevonden rekenmethode waaruit zou blijken dat 26 april 2014 de laatste dag zou zijn waarop appellante recht zou hebben gehad op een WW-uitkering als zij niet bij [naam werkgever 2] zou zijn gaan werken, wordt voorbijgegaan. Deze beroepsgrond is zodanig laat aangevoerd dat het in strijd is met de goede procesorde om deze grond te betrekken bij de beoordeling van de aangevallen uitspraak. In dat verband is van belang dat het Uwv ter zitting niet adequaat op de beroepsgrond heeft kunnen reageren, ook al omdat deze niet met stukken is onderbouwd, en dat niet is gebleken dat de beroepsgrond niet (veel) eerder had kunnen worden aangevoerd.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden van de betreffende uitzonderingssituatie. Daarom is terecht voor de berekening van het maatmaninkomen per uur en de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante het werk bij [naam werkgever 2] als maatgevende arbeid aangenomen.

4.8.

De rechtbank is in de aangevallen uitspraak uitgegaan van een juist wettelijk kader voor de beoordeling van het recht op ziekengeld bij een EZWb en is uitgebreid ingegaan op de medische beroepsgronden van appellante. Deze overwegingen worden onderschreven. De enkele niet nader onderbouwde stelling van appellante in hoger beroep dat zij op dit moment niet in staat is om te werken, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.

4.9.

De overwegingen in 4.1 tot en met 4.8 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en M. Greebe en

C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van W.M. Swinkels als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2018.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) W.M. Swinkels

GdJ