Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2545

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-08-2018
Datum publicatie
17-08-2018
Zaaknummer
16/2437 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De in de tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2017:2475) geconstateerde gebreken zijn hersteld door een nader rapport van een verzekeringsarts. Zoals in de tussenuitspraak is geoordeeld, dient op de datum waarop het al dan niet verlengen van de no-riskpolis aan de orde is, te weten 13 december 2014, een inschatting te worden gemaakt van het te verwachten risico. De verzekeringsarts heeft inzichtelijk gemotiveerd dat bij werknemer geen sprake is van een aanzienlijk verhoogd risico op ernstige gezondheidsklachten. Geen aanknopingspunten om het door het Uwv ingenomen standpunt voor onjuist te houden. Dit leidt tot de conclusie dat het Uwv terecht en op goede gronden heeft geweigerd om de no-riskpolis per 13 december 2014 te verlengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 2437 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

8 maart 2016, 15/2056 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] B.V. te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 16 augustus 2018

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 5 juli 2017 een tussenuitspraak gedaan, ECLI:NL:CRVB:2017:2475 (tussenuitspraak).

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv bij brief van 5 oktober 2017 een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 oktober 2017 ingezonden.

Appellante heeft een zienswijze ingezonden.

Partijen hebben desgevraagd verklaard geen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om op een nadere zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak.

2. In de tussenuitspraak is geoordeeld dat de beoordeling door het Uwv of bij [naam werknemer] (werknemer) sprake is van een aanzienlijk verhoogd risico op ernstige gezondheidsklachten als bedoeld in artikel 29c van de Ziektewet niet zorgvuldig tot stand is gekomen, omdat door de verzekeringsartsen geen gegevens zijn ingewonnen van de internist en de oogarts over de laatste jaren, om een verantwoorde inschatting te maken van de prognose voor de komende tijd.

3.1.

In het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 oktober 2017 zijn de van de behandelend oogarts en behandelend internist ontvangen gegevens vermeld en heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk gemotiveerd dat bij werknemer geen sprake is van een aanzienlijk verhoogd risico op ernstige gezondheidsklachten. Uit de weergegeven gegevens blijkt dat werknemer al vanaf 2003 diabetes mellitus heeft en jaarlijks op controle komt bij de internist. Uit de opgevraagde informatie van de oogarts en de internist blijkt dat de gevolgen van de complicaties adequaat worden behandeld en werknemer redelijk is ingesteld voor de diabetes mellitus. Er zijn geen actuele oogproblemen; de oogarts ziet werknemer over een jaar voor controle. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn de behandelaars tevreden over de actuele situatie. Uit niets blijkt dat er een verhoogd risico bestaat op ernstige gezondheidsklachten die sterk invaliderend zijn binnen enkele jaren. Geleidelijk progressieve afwijkingen kunnen leiden tot complicaties op langere termijn en een verkorte levensverwachting. Het verloop is niet opeens snel progressief zolang iemand redelijk goed is ingesteld, zoals bij werknemer het geval is.

3.2.

Kort weergegeven heeft appellante hiertegen aangevoerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep aan een te streng criterium heeft getoetst door te stellen dat sprake moet zijn van een verhoogd risico op ernstige gezondheidsklachten die sterk invaliderend zijn binnen enkele jaren. Dit betoog wordt niet gevolgd. In de in de tussenuitspraak onder 4.2 genoemde nota van toelichting bij het Arbeidsgehandicaptenbesluit is over de beoordeling of sprake is van een aanzienlijk verhoogd risico opgenomen: “Het is de bedoeling dit criterium uitsluitend op die aandoeningen te betrekken, waarvan ernstige progressie binnen de termijn van enkele jaren vaststaat. (…) Anders gezegd: het betreft hier dus relatief zeldzame en duidelijke uitzonderingssituaties die betrekking hebben op ziekten met een sterk invaliderend verloop binnen enkele jaren of aanmerkelijke verkorting van de levensverwachting vóór het 65e levensjaar.” (Stbl. 1998, nr. 488, p.10). Daarvan is bij werknemer niet gebleken. Zoals in de tussenuitspraak is geoordeeld, dient op de datum waarop het al dan niet verlengen van de

no-riskpolis aan de orde is, te weten 13 december 2014, een inschatting te worden gemaakt van het te verwachten risico. Het onder 3.1 weergegeven standpunt is gebaseerd op de opgevraagde medische informatie van de behandelaars van werknemer uit 2017. Bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek van 5 januari 2015 werd een gestabiliseerde gezondheidstoestand beschreven. Dit beeld wordt bevestigd door de gegevens die de behandelaars in 2017 beschrijven. Dit betekent dat geen aanknopingspunten bestaan om het door het Uwv ingenomen standpunt voor onjuist te houden. Dit leidt tot de conclusie dat het Uwv terecht en op goede gronden heeft geweigerd om de no-riskpolis per 13 december 2014 te verlengen.

4. Uit 3.1 en 3.2 volgt dat de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld. Nu eerst na de tussenuitspraak in hoger beroep sprake is van een afdoende gemotiveerd besluit, bestaat er aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen evenals het bestreden besluit en te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

5. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in beroep en € 1.252,50 (inclusief een half procespunt voor het verschijnen van een arts-gemachtigde ter zitting) in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    vernietigt het besluit van 22 mei 2015;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.254,50;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 834,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en J.S. van der Kolk en

A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2018.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) P. Boer

IvR