Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2540

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-08-2018
Datum publicatie
17-08-2018
Zaaknummer
16/1392 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wajong-uitkering terecht geweigerd. Aanvraag niet deugdelijk en toereikend onderbouwd. Bewijslast ligt bij de aanvrager, omdat het medisch beeld met het verstrijken van de tijd steeds moeilijker is vast te stellen. Geen aanknopingspunten om de door het Uwv vastgestelde beperkingen op 17- en 18-jarige leeftijd voor onjuist te houden. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1392 WWAJ

Datum uitspraak: 16 augustus 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

18 januari 2016, 14/3205 (aangevallen uitspraak), en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) (Staat)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.P. Smit, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Smit. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.K. Affia.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren [in] 1969, heeft op 26 februari 2010 een aanvraag op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) ingediend. Bij besluit van 26 mei 2010 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellante meer dan 75% van het minimumloon kan verdienen. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts van 13 april 2010 ten grondslag.

1.2.

Appellante heeft op 22 april 2014 opnieuw een aanvraag om arbeidsondersteuning op grond van de Wet Wajong ingediend. Op 2 mei 2014 heeft een verzekeringsarts de aanvraag beoordeeld. Bij besluit van 8 mei 2014 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat er volgens het Uwv geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn die ertoe leiden dat het besluit van 26 mei 2010 onjuist zou zijn. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 7 november 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 oktober 2014 ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en hiertoe als volgt overwogen.

2.1.

Na ter zitting de uitspraak van de Raad van 14 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1) aan de orde te hebben gesteld, heeft appellante desgevraagd verklaard alleen een herziening van het besluit van 26 mei 2010 voor de toekomst te beogen.

2.2.

Uit de uitspraak van de Raad van 22 mei 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1872) volgt dat vanaf 1 januari 2010 ingediende aanvragen om toekenning van een uitkering op grond van de Wet Wajong van personen die geboren zijn vóór 1 januari 1980, zoals appellante, worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Verder volgt uit de uitspraak van de Raad van 31 juli 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:2692) dat als het gaat om een herziening voor de toekomst eerst moet worden beoordeeld of de wachttijd als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de AAW is vervuld.

2.3.

De rechtbank heeft vervolgens op grond van het procesdossier, waaronder een rapport van de verzekeringsarts van 13 april 2010, vastgesteld dat appellante op 16-jarige leeftijd is gestopt met school en is gaan werken. Uit de stukken heeft de rechtbank niet afgeleid dat periodes van arbeidsongeschiktheid aan de orde zijn geweest. Gelet daarop heeft de rechtbank geconcludeerd dat appellante de wachttijd, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de AAW niet heeft vervuld. Daarom is naar het oordeel van de rechtbank geen plaats voor aanspraak op een Wajong-uitkering voor de periode na de aanvraag van 22 april 2014.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij de wachttijd als bedoeld in artikel 6 van de AAW niet heeft vervuld. Zij heeft gesteld dat zij een bewijsprobleem heeft met betrekking tot de werkzaamheden die zij vanaf haar zeventiende heeft verricht, maar er vooralsnog vanuit gaat dat haar mogelijkheden in de loop van de jaren niet zijn toegenomen. Volgens appellante heeft haar begeleider ter zitting uitgebreid en gemotiveerd toegelicht hoeveel begeleiding en sturing appellante nodig had en heeft om enigszins op de werkvloer te kunnen functioneren. Zij heeft er verder op gewezen dat zij ook voor de komende twee jaar is geïndiceerd voor dagactiviteiten en is vrijgesteld van de arbeidsverplichting. Ter zitting heeft appellante ten slotte verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het toepasselijke wettelijke kader wordt verwezen naar overweging 4.5 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die hiertoe hebben geleid, worden onderschreven. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.

4.3.

In geval van een aanvraag, waarbij voor de toekomst wordt verzocht om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit, geldt dat uitsluitend indien de aanvrager zijn aanvraag deugdelijk en toereikend heeft onderbouwd, door het Uwv moet worden onderzocht of en in hoeverre het oorspronkelijke besluit onjuist was (zie overweging 4.4.3 van voornoemde uitspraak van de Raad van 14 januari 2015). Conform vaste rechtspraak geldt ook hier dat de bewijslast bij de aanvrager ligt, omdat het medisch beeld met het verstrijken van de tijd steeds moeilijker is vast te stellen (vergelijk onder meer de uitspraken van de Raad van 24 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO9240 en 27 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6477).

4.4.

Appellante heeft haar aanvraag niet deugdelijk en toereikend onderbouwd. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is uit het dossier niet gebleken van periodes van arbeidsongeschiktheid tijdens de wachttijd als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de AAW. Er zijn geen aanknopingspunten om de door het Uwv vastgestelde beperkingen op 17- en 18-jarige leeftijd voor onjuist te houden. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet op omstandigheden van ruim na de wachttijd en doet niet af aan het feit dat zij vanaf haar 16-jarige leeftijd en ook tijdens de wachttijd gedurende langere tijd arbeid heeft verricht, zonder dat is gebleken van arbeidsongeschiktheid. Aan de in hoger beroep ingebrachte verklaring van de zus van appellante over deze periode kan niet de waarde worden gehecht die appellante daaraan toegekend wil zien. Appellante heeft, ook ter zitting, erkend met betrekking tot deze periode in bewijsnood te verkeren. Uit het onder 4.3 weergegeven toetsingskader volgt dat deze omstandigheid voor rekening en risico van appellante komt.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

Overschrijding redelijke termijn

5.1.

Appellante heeft ter zitting verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

5.2.

De vraag of de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld en het processuele gedrag van de verzoeker gedurende de gehele procesgang.

5.3.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

5.4.

In het geval van appellante zijn vanaf de ontvangst door het Uwv op 14 juni 2014 van het tegen het besluit van 8 mei 2014 ingediende bezwaarschrift tot de datum van deze uitspraak, 16 augustus 2018, vier jaar en ruim twee maanden verstreken. Noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met ruim twee maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 500,-.

5.5.

Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv nog geen half jaar geduurd. Dit betekent dat in de bezwaarfase de redelijke termijn niet is overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn is dus geheel aan de bestuursrechter toe te rekenen. De Raad zal daarom de Staat veroordelen tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-.

6. Aanleiding bestaat om de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellante die kunnen worden gerelateerd aan het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze proceskosten worden begroot op € 250,50 ten laste van de Staat

(1 punt voor het indienen van het verzoek ter zitting, wegingsfactor 0,5) voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt de Staat tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een

bedrag van € 500,-;

- veroordeelt de Staat in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 250,50.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en M. Greebe en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van W.M. Swinkels als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2018.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) W.M. Swinkels

GdJ