Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2539

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-08-2018
Datum publicatie
17-08-2018
Zaaknummer
15/3476 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Moment waarop de geldschuld is ontstaan en moment waarop de betalingsverplichting is ontstaan.

Met het besluit van 8 mei 2013 is een geldschuld ontstaan als bedoeld in artikel 4:85, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. Omdat de termijn waarbinnen de betaling van deze geldschuld moet plaatsvinden in dit besluit niet is vastgesteld, is met het besluit van 8 mei 2013 nog geen betalingsverplichting voor appellante in het leven geroepen. Dat is eerst gebeurd met de genoemde acceptgiro van 26 juni 2013. In zoverre is die acceptgiro gericht op rechtsgevolg en aan te merken als besluit (zie de uitspraak van de Raad van 7 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2505). Het zorgkantoor heeft dan ook ten onrechte in het bestreden besluit niet op het bezwaar gericht tegen de acceptgiro van 26 juni 2013 beslist. Dit betekent dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, waarin dit niet is onderkend, in zoverre niet in stand kunnen blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/384
USZ 2018/293
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3476 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
28 april 2015, 14/794 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (Zorgkantoor)

Datum uitspraak: 8 augustus 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft P. Dagdelen hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar nieuwe gemachtigde mr. A.M.P.M. Adank, advocaat, en A. Caglar. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mrs. C. Hartman en

M.R.A. Raghoebarsingh.

Het onderzoek ter zitting is geschorst om appellante in de gelegenheid te stellen een met verantwoordingsstukken onderbouwd herzieningsverzoek in te dienen bij het Zorgkantoor.

Mr. Adank heeft de Raad bericht dat hij geen herzieningsverzoek heeft ingediend, omdat hij niet beschikt over de gevraagde verantwoordingsstukken.

Het nader onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2018. Namens appellante zijn mr. Adank en E. Karakas verschenen. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.D. Saro.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Het Zorgkantoor heeft aan appellante voor de periode van 19 januari 2012 tot en met

31 december 2012 op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) een persoonsgebonden budget verleend van € 5.463,21 (netto) voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).

1.2.

Bij besluit van 8 mei 2013 heeft het Zorgkantoor het pgb van appellante voor de periode van 19 januari 2012 tot en met 31 december 2012 vastgesteld op nihil en een bedrag van
€ 5.463,21 van appellante teruggevorderd.

1.3.

Op 26 juni 2013 heeft het Zorgkantoor een acceptgiro aan appellante gestuurd met het verzoek om het teruggevorderde pgb (vermeerderd met incassokosten) binnen veertien dagen te betalen.

1.4.

Appellante heeft op 19 juli 2013 een bezwaarschrift ingediend. Bij dit bezwaarschrift heeft appellante de acceptgiro van 26 juni 2013 gevoegd.

1.5.

Het Zorgkantoor heeft het bezwaar gericht geacht tegen het besluit van 8 mei 2013 en het bezwaar bij besluit van 6 januari 2014 (bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard wegens een niet verschoonbare termijnoverschrijding.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het Zorgkantoor het besluit van

8 mei 2013 naar het laatst bekende adres van appellante heeft gestuurd en dat het Zorgkantoor van dit adres mocht uitgaan. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij het Zorgkantoor tijdig op de hoogte heeft gebracht van haar adreswijziging. De rechtbank heeft verder overwogen dat de acceptgiro van 26 juni 2013 niet op rechtsgevolg is gericht en om deze reden geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarom kan hiertegen geen bezwaar worden gemaakt.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat het Zorgkantoor de voor haar bestemde post naar een verkeerd adres heeft verzonden en dat het daardoor aannemelijk is dat zij het besluit van 8 mei 2013 niet heeft ontvangen. Verder heeft zij aangevoerd dat de acceptgiro van 26 juni 2013 wel een besluit is en dat het bezwaarschrift ook is gericht tegen deze acceptgiro.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Besluit van 8 mei 2013

4.1.

Het Zorgkantoor heeft het bezwaar van appellante gericht geacht tegen het in 1.2 genoemde besluit van 8 mei 2013. Dit besluit moet worden aangemerkt als een vaststellingsbesluit als bedoeld in artikel 2.6.13, tweede lid, van de Rsa en artikel 4:46 van de Awb. Ook moet dit besluit worden aangemerkt als een terugvorderingsbesluit als bedoeld in artikel 4:95 van de Awb.

4.2.

Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de in artikel 6:7 vermelde termijn van zes weken aan met ingang van de dag waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 28 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2433) heeft het bestuursorgaan aan zijn bekendmakingsverplichting als bedoeld in artikel 3:41 van de Awb voldaan als het besluit wordt verzonden naar het laatst bekende adres van betrokkene, ook al is dit niet meer het juiste adres van betrokkene, en betrokkene heeft nagelaten het bestuursorgaan van de adreswijziging op de hoogte te stellen.

4.4.

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij eerder dan met het op 9 juli 2013 bij het Zorgkantoor ingekomen wijzigingsformulier het Zorgkantoor heeft geïnformeerd over haar gewijzigde adres. Nu het besluit van 8 mei 2013 is verzonden naar het ten tijde van de verzending bij het Zorgkantoor laatst bekende adres van appellante, is het besluit in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3:41 van de Awb bekendgemaakt. Dit betekent dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen het besluit van 8 mei 2013 is aangevangen op 9 mei 2013 en is geëindigd op 20 juni 2013. Hieruit volgt dat het bezwaar voor zover dit is gericht tegen het besluit van 8 mei 2013 te laat is ingediend. In wat appellante heeft aangevoerd kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. De rechtbank heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat het Zorgkantoor het bezwaar tegen het besluit van 8 mei 2013 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Acceptgiro van 26 juni 2013

4.5.1.

Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

4.5.2.

Met ingang van 1 juli 2009 zijn in Titel 4.4. van de Awb bepalingen opgenomen over bestuursrechtelijke geldschulden.

4.5.3.

In artikel 4:85, eerste lid, van de Awb is onder meer het volgende bepaald:

1. Deze titel is van toepassing op geldschulden die voortvloeien uit:

a. een wettelijk voorschrift dat een verplichting tot betaling uitsluitend aan of door een bestuursorgaan regelt, of

b. een besluit dat vatbaar is voor bezwaar of beroep.

4.5.4.

In artikel 4:86 van de Awb is het volgende bepaald:

1. De verplichting tot betaling van een geldsom wordt bij beschikking vastgesteld.

2. De beschikking vermeldt in ieder geval:

a. de te betalen geldsom;

b. de termijn waarbinnen de betaling moet plaatsvinden.

4.6.

Met het besluit van 8 mei 2013 is een geldschuld ontstaan als bedoeld in artikel 4:85, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. Omdat de termijn waarbinnen de betaling van deze geldschuld moet plaatsvinden in dit besluit niet is vastgesteld, is met het besluit van

8 mei 2013 nog geen betalingsverplichting voor appellante in het leven geroepen. Dat is eerst gebeurd met de in 1.3 genoemde acceptgiro van 26 juni 2013. In zoverre is die acceptgiro gericht op rechtsgevolg en aan te merken als besluit (zie de uitspraak van de Raad van

7 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2505). Het Zorgkantoor heeft dan ook ten onrechte in het bestreden besluit niet op het bezwaar gericht tegen de acceptgiro van 26 juni 2013 beslist. Dit betekent dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, waarin dit niet is onderkend, in zoverre niet in stand kunnen blijven.

4.7.

Het Zorgkantoor heeft zich ter zitting desgevraagd op het standpunt gesteld dat appellante met haar bezwaarschrift van 19 juli 2013 tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de acceptgiro van 26 juni 2013 en dat dit bezwaar ongegrond moet worden verklaard. Appellante heeft dit standpunt niet betwist. De Raad ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar voor zover gericht tegen het besluit van 26 juni 2013 (de acceptgiro) ongegrond te verklaren.

5. De Raad ziet aanleiding om het Zorgkantoor te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- voor het beroep en op € 1.252,50 voor het hoger beroep, in totaal € 2.254,50.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 8 mei 2013 ongegrond is verklaard;

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 6 januari 2014 gegrond en vernietigt het besluit van 6 januari 2014 voor zover het Zorgkantoor niet heeft beslist op het bezwaar tegen het besluit van 26 juni 2013;

  • -

    verklaart het bezwaar tegen het besluit van 26 juni 2013 ongegrond en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 6 januari 2014;

  • -

    veroordeelt het Zorgkantoor in de proceskosten van appellante tot een bedrag van
    € 2.254,50;

  • -

    bepaalt dat het Zorgkantoor aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,- vergoedt;

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en L.M. Tobé en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van G.D. Alting Siberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2018.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) G.D. Alting Siberg

OS