Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2537

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-08-2018
Datum publicatie
16-08-2018
Zaaknummer
15/2494 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep niet-ontvankelijk. Geen procesbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2494 WMO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

2 maart 2015, 14/3989 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Assen (college)

Datum uitspraak: 15 augustus 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.A. Faber, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 22 juni 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Faber. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H.J. Tuin. Het onderzoek ter zitting is geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen met elkaar te zoeken naar een oplossing voor een stalling van een door het college aan appellante verstrekte driewielfiets.

Partijen hebben vervolgens stukken gestuurd.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 12 juli 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Faber. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H.J. Tuin en M. Witte. Het onderzoek ter zitting is geschorst om partijen de gelegenheid te geven te onderzoeken welke vervoersvoorziening voor appellante het meest passend is.

Het college heeft de Raad met diverse brieven op de hoogte gehouden van de vorderingen van het onderzoek.

Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht (nader) ter zitting te worden gehoord. Daarop heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Het college heeft aan appellante in 2011 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) op huurbasis een aangepaste fiets Tavara Balance verstrekt.

1.2.

Het college heeft deze vervoersvoorziening met een besluit van 28 januari 2014 beëindigd en het besluit waarbij de fiets was toegekend ingetrokken met ingang van

27 januari 2014. Ter compensatie heeft het college de fiets aan appellante in eigendom overgedragen. Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

1.3.

Het college heeft in een besluit van 21 juli 2014 (bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard. In dat besluit heeft het college meegedeeld dat appellante met de overdracht van de fiets voldoende is gecompenseerd en dat het onderhoud van de fiets voor rekening van appellante komt omdat de fiets als algemeen gebruikelijk moet worden aangemerkt. Tijdens de hoorzitting in bezwaar is appellante erop gewezen dat zij een aanvraag moet indienen als zij van mening is dat een driewieler medisch noodzakelijk is.

2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat een fiets met elektrische trapondersteuning inderdaad een algemeen gebruikelijke voorziening is. Verder heeft de rechtbank appellante erop gewezen dat het indienen van een nieuwe aanvraag de aangewezen weg is als appellante van mening is dat de fiets voor haar niet adequaat (meer) is.

3. Appellante heeft de aangevallen uitspraak in hoger beroep bestreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op de zitting van 22 juni 2016 bij de Raad heeft appellante onder meer te kennen gegeven dat de haar in eigendom overgedragen fiets, Tavara Balance, niet goed voor haar is. Zij wil deze fiets niet. Daarom heeft zij intussen bij het college een aanvraag voor een driewielligfiets ingediend. Het college heeft deze aanvraag met een besluit van 1 april 2015 toegekend. Het college zal de fiets feitelijk verstrekken zodra appellante de achtertuin bij haar woning toegankelijk heeft gemaakt, zodat de fiets veilig kan worden gestald.

4.2.

Op de zitting van 12 juli 2017 hebben partijen afgesproken dat eerst een onderzoek plaatsvindt naar welke vervoersvoorziening voor appellante het meest passend is: een driewieler of een scootmobiel. Daarna onderzoekt het college het kostenaspect van de benodigde stallingsruimte.

4.3.

Gevraagd naar de stand van zaken heeft het college de Raad op 17 november 2017 bericht dat er nog een onderzoek plaatsvindt door de leverancier van de fiets, namelijk of appellante op een driewielligfiets een rollator met onderarmschalen kan vervoeren. Als dat niet kan, is een driewielligfiets voor appellante namelijk geen optie meer en moet verder worden gezocht naar een passende oplossing. Het is niet mogelijk duidelijkheid te geven over de termijn waarbinnen partijen tot een oplossing komen. Er is echter goed contact met appellante en er wordt in gezamenlijk overleg gezocht naar een oplossing.

4.4.

Op 22 januari 2018 heeft het college de Raad desgevraagd meegedeeld dat appellante in december 2017 samen met mevrouw [naam] van de gemeente een bezoek heeft gebracht aan de leverancier van hulpmiddelen. De conclusie was dat een driewielligfiets geen geschikte voorziening meer is voor appellante. Tijdens dezelfde middag heeft appellante een scootmobiel geprobeerd. Het ziet ernaar uit dat dit wel een geschikte voorziening kan zijn. Door een ongelukkige samenloop van omstandigheden heeft appellante echter tijdens deze middag verwondingen opgelopen en daardoor is het proces weer tot stilstand gebracht. Mevrouw [naam] onderhoudt regelmatig contact met appellante. Zodra appellante voldoende is hersteld, wordt het traject met betrekking tot de scootmobiel weer opgepakt.

4.5.

Beoordeeld moet worden of appellante nog een belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak.

4.6.

In vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 18 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1874) is neergelegd dat eerst sprake is van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft ook daadwerkelijk kan worden behaald en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.

4.7.

Zoals ook tijdens beide zittingen is besproken, valt niet goed in te zien wat het procesbelang is bij de beoordeling van het voorliggend geschil dat immers gaat over (de overdracht in eigendom van) een Tavara Balancefiets. Inmiddels heeft het college na een aanvraag van appellante in een besluit van 1 april 2015 aan haar een driewielligfiets toegekend. In de loop van de onderhandelingen is gebleken dat een driewielligfiets voor appellante niet geschikt is en vindt het onderzoek naar een scootmobiel plaats. Dit betekent dat het hoger beroep van appellante wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

4.8.

Overigens nog het volgende. Op de zittingen is besproken dat partijen samen verder willen kijken naar een oplossing. Uit wat hiervoor is overwogen blijkt ook dat partijen daadwerkelijk bezig zijn met het zoeken van een oplossing. Het college is bereid weer verder te zoeken, zodra appellante daartoe in staat is. Het college vermeldt dat er een goed contact is met appellante en dat mevrouw [naam] regelmatig contact met appellante onderhoudt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2018.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) R.L. Rijnen

CVG