Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2525

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-08-2018
Datum publicatie
16-08-2018
Zaaknummer
16/5476 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroep van werkgever tegen weigering IVA-uitkering. Terecht loonaanvullende WGA-uitkering (80 tot 100%) toegekend. Zorgvuldig medisch onderzoek. Overtuigend gemotiveerd dat een verbetering van de duurbelastbaarheid binnen een jaar in de rede lag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 15 augustus 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

13 juli 2016, 15/2405 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] B.V. te [vestingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[werknemer] (werknemer)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.R.H. Hollander, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens werknemer heeft mr. D.M.C. Kooijman een zienswijze ingediend.

Alle drie partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2018. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. ir. M.M.H. Oude Velthuis, bijgestaan door mr. Hollander. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit. Werknemer is verschenen, bijgestaan door mr. J.G.J. Spiekker.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Werknemer is op 5 januari 2011 uitgevallen voor zijn werk als ICT-architect bij appellante voor 40 uur per week. Het dienstverband is beëindigd met ingang van 1 juli 2011. Bij besluit van 31 oktober 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 april 2015, heeft het Uwv vastgesteld dat voor werknemer recht is ontstaan op een loongerelateerde

WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) over de periode van 2 januari 2013 tot 2 juli 2015, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100% wegens dagbehandelingen. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld.

1.2.

Op verzoek van appellante heeft een herbeoordeling plaatsgevonden door het Uwv. Bij besluit van 22 mei 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat werknemer met ingang van 2 juli 2015, in aansluiting op de loongerelateerde WGA-uitkering, in aanmerking komt voor een loonaanvullende WGA-uitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. Bij beslissing op bezwaar van 30 september 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante ingediende bezwaar tegen het besluit van 22 mei 2015 ongegrond verklaard, onder de overweging dat geen recht bestaat op een IVA-uitkering omdat geen sprake is van duurzame volledige arbeidsongeschiktheid. Werknemer heeft als belanghebbende deelgenomen aan de bezwaarprocedure.

2. Appellante heeft beroep ingesteld en werknemer heeft een zienswijze ingediend. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, onder verwijzing naar de vaste rechtspraak van de Raad over de beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA (onder meer de uitspraken van 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896 en van 3 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1841). Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat sprake is geweest van zorgvuldig en inzichtelijk onderzoek door de verzekeringsartsen naar de beperkingen van werknemer en de duurzaamheid van die beperkingen. De door de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij rapport van 13 juni 2016 gedane suggesties voor het kunnen uitbouwen van de belastbaarheid kunnen niet op voorhand enige kans van slagen worden ontzegd. Door appellante is onvoldoende gemotiveerd dat het tweetal uren dat werknemer dagelijks besteedt aan het ontwikkelen van apps in de toekomst niet kan worden uitgebreid. De omstandigheid dat de door werknemer gevolgde deeltijdtherapie gedurende anderhalf jaar zonder resultaat is gebleven, levert, naar het oordeel van de rechtbank, geen toereikende motivering voor het standpunt van werknemer dat uitbreiding van de urenbelasting niet mogelijk is.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep opnieuw aangevoerd dat het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat van de arbeidsduurbelasting verbetering wordt verwacht in de toekomst, onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Zij heeft verwezen naar de in bezwaar en beroep ingediende rapporten van de door haar ingeschakelde verzekeringsarts R.A. Hollander en ter nadere onderbouwing een rapport van verzekeringsarts H.M.Th. Offermans van 9 mei 2018 bijgevoegd.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit, onder verwijzing naar het nadere rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 december 2016.

3.3.

Werknemer heeft een zienswijze ingediend, waarbij hij de argumenten van appellante heeft onderschreven. Verder heeft hij te kennen gegeven dat geen sprake is van een door hem opgestart eigen bedrijf. Het ontwikkelen van apps was voor hem alleen bezigheidstherapie en inmiddels is hij hiermee gestopt omdat het te vermoeiend was.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Het geschil in hoger beroep spitst zich toe op de vraag of de door het Uwv bij de Functionele Mogelijkhedenlijst van 11 mei 2015 aangenomen urenbeperking tot gemiddeld ongeveer vier uur per dag en twintig uur per week een duurzaam karakter heeft in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Indien dit het geval zou zijn, zou werknemer hieraan het recht op een IVA-uitkering kunnen ontlenen met ingang van de datum in geding van 1 juli 2015.

4.3.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het wettelijk kader juist geschetst en terecht verwezen naar de vaste rechtspraak van de Raad betreffende de beoordeling van de duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen als bedoeld in artikel 4 van de Wet WIA.

4.4.

Het Uwv hanteert een beoordelingskader, genaamd “Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen” (het beoordelingskader), bedoeld als interne instructie voor de verzekeringsartsen bij de beoordeling van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid. Volgens de onder 4.3 bedoelde vaste rechtspraak van de Raad sluit dit beoordelingskader nauw aan bij de in de memorie van toelichting bij artikel 4 van de Wet WIA beschreven procedure en acht de Raad dat kader niet in strijd met een juiste uitleg van dat artikel. Volgens dit beoordelingskader worden arbeidsbeperkingen duurzaam genoemd als verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten of als verbetering niet of nauwelijks is te verwachten. Onder stap 2 van het beoordelingskader is opgenomen:

“Als verbetering van de belastbaarheid niet is uitgesloten beoordeelt de verzekeringsarts in hoeverre die verbetering in het eerstkomende jaar kan worden verwacht. De verzekeringsarts gaat na of één van de volgende twee mogelijkheden aan de orde is:

a. er is een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden;

b. verbetering van de belastbaarheid is niet of nauwelijks te verwachten.”

4.5.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij rapport van 29 september 2015 geconcludeerd dat stap 2a van het beoordelingskader van toepassing is: er is een redelijke tot goede verwachting dat verbetering van de duurbelasting zal optreden in het eerstkomende jaar. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierbij het dagverhaal van werknemer in ogenschouw genomen, waaruit blijkt dat werknemer rond de datum in geding volledig zelfredzaam is, op de zondagen bij hem thuis voor zijn kinderen zorgt en daarnaast enige activiteiten onderneemt, zoals kleine stukjes programmeren en/of het ontwikkelen van apps gedurende maximaal twee uur per dag, volksdansen één keer per week, dagelijks een wandeling maken en wat klussen in huis. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep informatie van de behandelend sector in de beschouwing betrokken waaruit blijkt dat werknemer vanaf juni 2012 een deeltijdbehandeling volgde van drie dagen per week, onder meer gericht op het aanleren van nieuwe copingstrategieën en dat deze behandeling in februari 2014 was afgerond. Uit de informatie van de huisarts van 24 april 2015 blijkt dat sprake is geweest van verwijzing naar een fysiotherapeut voor ontspanningstherapie en dat werknemer voortijdig is gestopt met fysiotherapie om financiële redenen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft uit de voorgaande informatie geconcludeerd dat er op de datum in geding van 1 juli 2015 nog grond was voor een urenbeperking wegens een situatie van opbouw van de functionele mogelijkheden en uit een oogpunt van preventie, maar dat verbetering van de duurbelasting in het komende jaar in de lijn der verwachting ligt.

4.6.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat sprake is geweest van zorgvuldig onderzoek door de beide verzekeringsartsen. De verzekeringsarts heeft werknemer gezien op het spreekuur van 8 april 2015 en psychisch en lichamelijk onderzoek verricht. Op basis van de eigen onderzoeksbevindingen, het dagverhaal en de informatie van de behandelend sector, met name recente informatie van de huisarts van 4 mei 2015, heeft de verzekeringsarts zich een oordeel gevormd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is vervolgens op basis van de dossierstukken, waarbij ook het door appellante ingediende rapport van Hollander is betrokken, tot haar standpunt gekomen. Zij heeft geen aanleiding gezien om een eindrapport op te vragen bij de behandelaars van het traject van deeltijdtherapie. Dit is niet onzorgvuldig te noemen, aangezien dit traject al in februari 2014 was beëindigd en uit de informatie van de huisarts van 4 mei 2015 blijkt van de actuele gezondheidssituatie.

4.7.

Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is overtuigend gemotiveerd dat, uitgaande van de situatie op de datum in geding, een verbetering van de duurbelastbaarheid binnen een jaar in de rede lag. De door appellante ingebrachte rapporten van Hollander en Offermans doen hieraan niet af. Beiden hebben werknemer niet gesproken noch medisch onderzocht en hebben hun opvattingen puur op de dossiergegevens gebaseerd. Ook Hollander en Offermans beschikten niet over nadere gegevens over het deeltijdbehandelingstraject dat in februari 2014 was afgerond. Bovendien worden door Offermans aan een ziektebeeld waarvan de diagnose bij werknemer niet is gesteld doch waarvan alleen enige trekken zijn vastgesteld, vergaande conclusies verbonden welke niet zonder meer van toepassing zijn op werknemer. De verzekeringsarts en verzekeringsarts bezwaar en beroep worden gevolgd in hun standpunt dat, gelet op de activiteiten die werknemer rond de datum in geding verrichtte, in combinatie met een opklarend ziektebeeld, binnen een jaar een verbetering van de duurbelasting in de rede lag.

4.8.

Gelet op de overwegingen 4.1 tot en met 4.7 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

4.9.

Voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellante dan wel werknemer is geen grond.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en E.W. Akkerman en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2018.

(getekend) M. Greebe

(getekend) J.R. Trox

KS