Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2519

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
20-08-2018
Zaaknummer
16/7529 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herzien norm. Niet meer wonen op uitkeringsadres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7529 PW, 17/5068 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van

6 december 2016, 16/4595 (aangevallen uitspraak 1), en 11 juli 2017, 17/1910 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 24 juli 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.M. Haring, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Haring. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. D.A. Ahmed.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant en zijn ex-echtgenote [naam] ( [X] ) ontvingen vanaf 1 januari 2012 bijstand naar de norm voor gehuwden. Op 18 september 2015 heeft [X] bij monde van een vriendin aan de inkomensconsulent laten weten dat appellant al langere tijd niet meer verblijft in de echtelijke woning, [adres] (uitkeringsadres). [X] heeft appellant op 24 september 2015 laten uitschrijven uit de basisregistratie persoonsgegevens (BRP). Naar aanleiding hiervan heeft het college een onderzoek laten instellen naar de woon- en leefsituatie van [X] en appellant. Daartoe hebben handhavingsspecialisten van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam appellant en [X] tweemaal op 30 oktober 2015 en 4 november 2015 opgeroepen voor een gesprek. Na de tweede oproep is [X] op 11 november 2015 naar het gesprek gekomen. Zij heeft toen verklaard dat appellant in december 2014, nog voor Kerstmis, is vertrokken en niet meer teruggekomen.

1.2.

Bij besluit van 30 november 2015 heeft het college de aan [X] verleende bijstand per

24 september 2015 herzien naar de norm voor een alleenstaande ouder. Bij besluit van

7 januari 2016 heeft het college de aan [X] verleende bijstand naar de norm voor gehuwden vanaf 1 januari 2015 ingetrokken en per die datum aan [X] bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Bij besluit van 21 april 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 juni 2016, heeft het college na verrekening van de bijstand en vakantiegeld de kosten van bijstand tot een bedrag van € 3.369,59 van [X] teruggevorderd. [X] heeft in dit besluit berust.

1.3.

Bij besluit van 21 april 2016 heeft het college het onder 1.2 genoemde bedrag van

€ 3.369,59 ook van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 8 juli 2016 heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Bij besluit van 19 oktober 2016 (bestreden besluit I) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 21 april 2016 alsnog ontvankelijk en vervolgens ongegrond verklaard.

1.4.

Bij besluit van 23 maart 2017 heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 januari 2016 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door het college niet te informeren over zijn vertrek van het uitkeringsadres als gevolg waarvan het college ten onrechte bijstand naar de norm voor gehuwden aan appellant en [X] heeft verleend.

2.1.

Bij aangevallen uitspraak 1, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

2.2.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in de hoger beroepen op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De intrekking van de gezinsbijstand

4.1.1.

Appellant heeft te kennen gegeven dat hij tot 24 september 2015 op het uitkeringsadres heeft gewoond. In geschil is derhalve nog de periode van 1 januari 2015 tot 24 september 2015.

4.1.2.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.1.3.

Anders dan appellant heeft betoogd, biedt de verklaring van [X] van 11 november 2015, toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat appellant vanaf 1 januari 2015 niet meer op het uitkeringsadres woonde. De beroepsgrond van appellant dat aan de verklaring van [X] geen waarde kan worden gehecht omdat deze niet op waarheid berust, slaagt niet. De verklaring van [X] is gedetailleerd en consistent waar het gaat om de datum van vertrek van appellant van het uitkeringsadres, terwijl appellant daartegenover geen concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld, die twijfel zaaien ten aanzien van de juistheid van de verklaring van [X] . De door appellant overgelegde uitnodiging van Prezens GGZ in Geest (Prezens), van 15 januari 2015 voor een gesprek en een uitnodiging voor een intakegesprek bij De Waag van 9 september 2015, die waren geadresseerd aan het uitkeringsadres, zijn daartoe ontoereikend. Het enkel ontvangen van de post op het uitkeringsadres zegt niets over het feitelijk verblijf van appellant op dat adres. Inschrijving in de BRP van een gemeente zegt verder ook niets over het feitelijk verblijf. Ook anderszins bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de tegenover een handhavingsspecialist afgelegde verklaring van [X] . Daarbij is mede van betekenis dat de verklaring die [X] heeft afgelegd ook voor haar belastend is.

4.1.4.

Appellant heeft aangevoerd dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat hij door het college niet betrokken is bij het onderzoek. De twee uitnodigingen voor een gesprek hebben hem nooit bereikt. Deze grond slaagt niet. Appellant heeft niet onverwijld en uit eigen beweging mededeling gedaan aan het college van zijn verblijfplaats op en na 24 september 2015. Pas op 9 november 2015 heeft appellant zich als dakloze gemeld bij het college om een briefadres en bijstand aan te vragen. De uitnodigingsbrieven dateren van vóór 9 november 2015. Dat appellant ernstige psychische problemen had en volgens de brief van Prezens van 18 juni 2015 zou moeten worden behandeld voor agressie in combinatie met depressieve klachten en ontoereikende coping, doet niet af aan het feit dat hij bij het college onverwijld mededeling had moeten doen van de wijziging van zijn verblijfplaats, desnoods met behulp van derden.

De terugvordering

4.2.

Tegen de terugvordering heeft appellant geen afzonderlijke gronden aangevoerd, zodat deze buiten bespreking kan blijven.

Slotsom

4.3.

De hoger beroepen slagen niet, zodat de aangevallen uitspraken, aangevallen uitspraak 1 voor zover aangevochten, bevestigd moeten worden.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt aangevallen uitspraak 1, voor zover aangevochten;

- bevestigt aangevallen uitspraak 2.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en M. Hillen en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2018.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) L.V. van Donk

rh