Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2499

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-07-2018
Datum publicatie
13-08-2018
Zaaknummer
18/1004 MAW-PV
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Proces-verbaal mondelinge uitspraak. Appellant is terecht niet in aanmerking gebracht voor de door hem geambieerde functie. Van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging, die bij appellant gerechtvaardigde verwachtingen kan hebben gewekt, is geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1004 MAW-PV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 januari 2018, 17/5324 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] , Duitsland (appellant)

De Minister van Defensie, thans de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)

Datum uitspraak: 26 juli 2018

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Minister van Defensie, is in verband met wijziging van taken voortgezet ten name van de staatssecretaris. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van staatssecretaris, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Minister van Defensie.

Zitting hebben: C.H. Bangma als voorzitter en H. Benek en H.A.A.G. Vermeulen als leden.

Griffier: J. Smolders.

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.A. Koolmees. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.M. van der Weijden en mr. J.D. van Delft.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2018. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

Appellant, [rang] bij de [onderdeel] , heeft op 11 februari 2016

zijn belangstelling kenbaar gemaakt voor de functie van [functie 1] bij de

[naam kazerne] , waaraan de rang van adjudant-onderofficier verbonden is (geambieerde functie). Het betreft een functie die gelabeld is als behorende bij het

commando Landstrijdkrachten (CLAS). Bij e-mailbericht van 16 maart 2016 is appellant medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor de door hem geambieerde functie. De selectieronde is geëindigd zonder dat er een functietoewijzing heeft plaatsgevonden. De belangstelling van appellant blijft wel staan. Appellant heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen dit besluit.

Bij e-mailbericht van 9 april 2016 is appellant medegedeeld dat de vacature is gewijzigd,

onder meer met een bredere openstelling van rangsniveaus en type arbeidsplaats. De vacature is te raadplegen via [adres] ( [adres] ). Bij e-mailbericht van 25 juni 2016 is appellant medegedeeld dat de vacature is gewijzigd met een bredere openstelling van type arbeidsplaats. De vacature is te raadplegen via [adres] . Bij e-mailbericht van 29 juni 2016 is appellant medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor de door hem geambieerde functie, omdat zijn [commando] ( [commando] ) hem heeft afgewezen. Voor nadere informatie kan appellant zich wenden tot zijn [commando] . Op 5 juli 2016 is de geambieerde functie voor de derde maal opengesteld, ditmaal ook voor burgerambtenaren. Bij

e-mailbericht van 6 juli 2016 is appellant medegedeeld dat er wijzigingen zijn opgetreden

in de vacature. De vacature is te raadplegen via [adres] .

Bij besluit van 19 juni 2017 (betreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 juni 2016 ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat functietoewijzing [functie 2] na de eerste reguliere publicatie een bestandsmatige afweging heeft gemaakt om de functie niet te publiceren met bevorderingsruimte (verticale functietoewijzing). Omdat uit

de eerste sollicitatieronde geen geschikte kandidaten volgden, is de opdracht gegeven de functie paarsbreed, bij andere [commando] , te publiceren. Voor brede publicatie dient de betrokken P&O’er de vacature via het Uitvoeringsbedrijf & Organisatie en Formatie te laten aanpassen. Door een onjuiste koppeling in het systeem is er door deze aanpassing een automatisch gegenereerde e-mail gemaakt en verstuurd, waarin abusievelijk ‘bredere openstelling van rangsniveaus’ heeft gestaan. In deze e-mail is vermeld dat de vacature via [adres] kan worden ingezien. Indien er voor een bepaalde vacature bevorderingsruimte is, dan wordt de volgende tekst of woorden van gelijke strekking aan de vacature toegevoegd: “Voor deze vacature is bevorderingsruimte beschikbaar gesteld. Dit betekent dat bevorderbare [rang] die voldoen aan de functie-eisen mogen mee opteren. Beschikbaarheid zal voor de bevorderbare sergeant-majoors geen selectiecriterium zijn.” Omdat er geen bevorderingsruimte was, heeft deze tekst niet in de vacature gestaan. De vacature heeft nimmer opengestaan voor verticale functietoewijzing en daarom is appellant niet aangeboden en is de functie hem niet toegewezen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt afgewezen. Ondanks dat de organisatie het spijtig vindt dat een onjuiste koppeling in het systeem mogelijk tot verwarring kan leiden, impliceert de automatisch gegenereerde e-mail dat de vacature is opengesteld naar bredere rangniveaus en niet dat appellant daadwerkelijk zou worden aangeboden of voor een gesprek zou moeten worden uitgenodigd. In de vacaturetekst is niets vermeld over bevorderingsruimte. Van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging, die bij appellant gerechtvaardigde verwachtingen kan hebben gewekt, is geen sprake.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit

ongegrond verklaard.

De Raad moet in dit geding in de eerste plaats de vraag beantwoorden of de rechtbank appellants beroep op het vertrouwensbeginsel op goede gronden heeft verworpen. Door appellant wordt erkend dat geen harde toezegging is gedaan, maar hij stelt dat door de e-mail van 9 april 2016 bij hem wel de verwachting is gewekt dat hij zou worden uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek. Verder heeft de staatssecretaris erkend dat de zinsnede over de brede openstelling van rangsniveaus een fout is geweest.

De Raad is van oordeel dat niet is voldaan aan de voorwaarden die de rechtspraak stelt voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel, namelijk dat sprake moet zijn van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging die bij appellant de gerechtvaardigde verwachting heeft gewekt dat hij zou worden uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek dan wel zou worden benoemd in de geambieerde functie.

Voorts heeft appellant ook een beroep gedaan op het rechtszekerheidsbeginsel. Dit beroep valt samen met het beroep op het vertrouwensbeginsel, zodat ook die beroepsgrond niet kan slagen.

De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) J. Smolders (getekend) C.H. Bangma

LO