Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2498

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-08-2018
Datum publicatie
14-08-2018
Zaaknummer
18/37 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Appellant op goede gronden niet meer opgeroepen in werkelijke dienst en geplande diensten met onmiddellijke ingang geannuleerd. Geen sprake van enige (minimum)aanspraak op oproeping aan de zijde van de militair. Aan de staatssecretaris komt daarmee in beginsel de vrijheid toe om volledig af te zien van het oproepen van de reservist. Evenzeer staat het hem in beginsel vrij om ingeroosterde oproepen te laten vervallen. 2) Ontslag. Ook in dit geval, waarin de staatssecretaris heeft afgezien van verdere oproepingen en daarvan ook heeft mogen afzien, is immers ontegenzeggelijk sprake van het niet langer nodig oordelen - en mogen oordelen - van voorzetting van de dienstverhouding, zoals in artikel 39, vijfde lid, van het AMAR is bedoeld. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat de staatssecretaris van de bevoegdheid tot ontslag die in dit artikellid is gegeven, in dit geval gebruik heeft mogen maken. Het incidenteel hoger beroep van de staatssecretaris slaagt. De rechtbank heeft bestreden besluit 2 ten onrechte vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 37 MAW, 18/38 MAW, 18/1170 MAW

Datum uitspraak: 9 augustus 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

20 november 2017, 17/3111 en 17/6428 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie, thans Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Minister van Defensie, is in verband met wijziging van taken voortgezet ten name van de staatssecretaris. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de staatssecretaris, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Minister van Defensie.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2018. Appellant is verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Verkroost en J.J. Pieterse.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 25 maart 2009 aangesteld als militair ambtenaar bij het [onderdeel] en laatstelijk ingedeeld bij de [groep] ( [groep] ) van het [commando] , in de functie van [functie 1] .

1.2.

Bij besluit van 28 juli 2015 heeft de [commandant] ( [commandant] ) aan appellant bericht dat een onderzoek werd ingesteld naar zijn inzet en dat appellant hangende dat onderzoek niet meer zou worden opgeroepen in werkelijke dienst en de geplande diensten met onmiddellijke ingang zouden worden geannuleerd. Aanleiding voor dit besluit was dat de [commandant] verontrustende berichten had ontvangen over appellants gedrag, meer in het bijzonder zijn omgang met geweld en wapens en zijn integratie binnen de groep. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

1.3.

Op 16 september 2015 is een rapportage [vooronderzoek] (hierna: [vooronderzoek] ) opgesteld door de [commandant] , met als doel om vlot tot een reële en geloofwaardige inventarisatie te komen van de gedragingen van appellant. Het samenvattende beeld van meldingen van acht collega’s is dat appellant soms vreemd en gevaarlijk gedrag vertoont, waardoor zij niet meer met appellant willen werken vanwege kennelijk risicovol gedrag en gebrek aan vertrouwen. In een gesprek op 7 oktober 2015 is appellant in de gelegenheid gesteld om zijn visie te geven op de bevindingen in die rapportage.

1.4.

De [commissie] ( [commissie] ) heeft een aanvullend onderzoek verricht naar de feiten en omstandigheden rondom de gedragingen van appellant in verschillende situaties en alles wat daarmee verband houdt. Op 14 juli 2016 is rapport uitgebracht op basis van interviews met zeven collega’s en appellant. De conclusie van dat rapport is, kort samengevat, dat er duidelijk sprake is van bepaalde patronen in het gedrag van appellant die een negatieve uitwerking hebben op degenen met wie hij samenwerkt en die de samenwerking en de uitvoering van de gestelde militaire taken niet ten goede komen. Dat maakt, zo concludeert de [commissie] , dat appellant ongeschikt blijkt te zijn voor de vervulling van zijn functie als [functie 2] .

1.5.

Bij besluit van 22 maart 2017 (bestreden besluit 1) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 juli 2015 ongegrond verklaard.

1.6.

Bij het besluit van 24 april 2017 (bestreden besluit 2) heeft de staatssecretaris aan appellant per 1 mei 2017 ontslag verleend op grond van artikel 39, vijfde lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR). Op grond van de bevindingen in het rapport van de [commissie] is de staatssecretaris tot het oordeel gekomen dat het organisatiebelang - de veiligheid van appellant en die van zijn collega’s - prevaleert boven het belang van appellant om weer in werkelijke dienst te worden opgeroepen en hij daarom ook voor de toekomst ervan zal afzien om appellant op te roepen in werkelijke dienst. Nu appellant al geruime tijd niet meer was ingezet en de staatssecretaris evenmin het voornemen had om nog te komen tot de inzet van appellant, is hij tot de conclusie gekomen dat handhaving van de dienstverhouding met appellant niet langer nodig is.

1.7.

Appellant heeft, met instemming van de staatssecretaris, met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht, rechtstreeks beroep ingesteld tegen bestreden besluit 2.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Zij heeft het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het besluit van 28 juli 2015 om appellant niet meer op te roepen in werkelijke dienst voldoende gemotiveerd was, gelet op de aard van de gedragingen van appellant waarover de [commandant] berichten had ontvangen. De feiten die aan de bestreden besluiten ten grondslag zijn gelegd zijn voldoende vast komen te staan. De rechtbank heeft overwogen dat het ontslag is onderbouwd met argumenten die zien op ongeschiktheid van appellant en dat de staatssecretaris geen onderbouwing heeft gegeven voor het ‘niet meer nodig zijn’, bijvoorbeeld omdat geen werkzaamheden meer nodig zijn, als bedoeld in artikel 39, vijfde lid, van het AMAR. De stelling van de staatssecretaris dat voor reservisten de ontslaggrond wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid, behalve onder artikel 39, tweede lid, aanhef en onder j, van het AMAR ook valt onder het vijfde lid van artikel 39 van het AMAR, is volgens de rechtbank niet juist. Bestreden besluit 2 komt daarom wegens een motiveringsgebrek voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank heeft aanleiding gezien om dat besluit in stand te laten, nu de staatssecretaris nader heeft toegelicht dat appellant niet een andere passende functie is aangeboden gelet op de aard van de gedragingen die tot gevolg hebben dat er onvoldoende vertrouwen is in appellant als militair. Nu het gedrag voldoende vast is komen te staan, is de rechtbank met de staatssecretaris van oordeel dat dit appellant ongeschikt maakt voor elke militaire functie. Gelet op voormelde nadere motivering is de rechtbank van oordeel dat een onderzoek in de zin van artikel 43 van het AMAR niet vereist was.

3. In hoger beroep hebben appellant en de staatssecretaris zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Bestreden besluit 1

4.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen het in stand laten door de rechtbank van bestreden besluit 1.

4.2.

In geval van een aanstelling van een militair bij het reservepersoneel van de krijgsmacht, kan die militair, op grond van artikel 12l, tweede lid, van de Militaire Ambtenarenwet 1931 (MAW), worden opgeroepen om in werkelijke dienst te komen. Het is aan de staatssecretaris om te bepalen of en in welke gevallen hij gebruik wil maken van de diensten van de reservist. Er is dus geen sprake van enige (minimum)aanspraak op oproeping aan de zijde van de militair. Aan de staatssecretaris komt daarmee in beginsel de vrijheid toe om volledig af te zien van het oproepen van de reservist. Evenzeer staat het hem in beginsel vrij om ingeroosterde oproepen te laten vervallen. Dat wordt niet anders doordat geen regels zijn opgesteld als bedoeld in artikel 12l, vierde lid, van de MAW. In aanmerking genomen de meldingen van meerdere collega’s over het gedrag van appellant dat bij collega’s tot een onveilig gevoel leidde, valt niet in te zien dat de staatssecretaris in dit geval niet van de bedoelde vrijheden gebruik heeft mogen maken. Het door appellant gestelde financiële belang kan dat niet anders maken.

4.3.

Het hoger beroep van appellant slaagt in zoverre dus niet.

Bestreden besluit 2

4.4.

De staatssecretaris heeft zich in het incidenteel hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat in dit geval geen gebruik mocht worden gemaakt van de ontslaggrond van artikel 39, vijfde lid, van het AMAR. Op grond van dat artikellid kan aan de militair die behoort tot het reservepersoneel, behalve op de overigens in artikel 39 genoemde ontslaggronden, voorts nog ontslag worden verleend indien het op grond van artikel 38 bevoegde gezag handhaving van de dienstverhouding niet langer nodig oordeelt.

4.5.

Hoewel het voorstelbaar is dat de rechtbank bij de ontslaggrond van artikel 39, vijfde lid, van het AMAR, primair heeft gedacht aan situaties waarin geen werkzaamheden voor de reservist voorhanden zijn, ziet de Raad, gelet op het systeem van artikel 12l van de MAW zoals omschreven onder 4.2, niet in dat toepassing van deze ontslaggrond in een geval als dit, waarin het niet oproepen van de reservist niet voortvloeit uit een gebrek aan werkzaamheden maar uit meer op de persoon toegespitste motieven, niet rechtmatig zou zijn. Ook in dit geval, waarin de staatssecretaris heeft afgezien van verdere oproepingen en daarvan, het overwogene onder 4.2 in aanmerking genomen, ook heeft mogen afzien, is immers ontegenzeggelijk sprake van het niet langer nodig oordelen - en mogen oordelen - van voorzetting van de dienstverhouding, zoals in artikel 39, vijfde lid, van het AMAR is bedoeld. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat de staatssecretaris van de bevoegdheid tot ontslag die in dit artikellid is gegeven, in dit geval gebruik heeft mogen maken.

4.6.

Het overwogene onder 4.5 betekent dat het incidenteel hoger beroep van de staatssecretaris slaagt. De rechtbank heeft bestreden besluit 2 ten onrechte vernietigd. De Raad komt daarmee niet meer toe aan bespreking van het hoger beroep van appellant, voor zover gericht tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van dit besluit. De Raad zal de aangevallen uitspraak in zoverre vernietigen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaren.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het betreft het beroep tegen het besluit van

24 april 2017;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 24 april 2017 ongegrond;

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en B.J. van de Griend en

H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van F. Demiroğlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2018.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) F. Demiroğlu

sg