Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2491

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-08-2018
Datum publicatie
13-08-2018
Zaaknummer
17/7806 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Verzoek eerdere afwijzingen te herzien, terecht afgewezen. Geen nieuwe feiten of gegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7806 WUBO, 17/7808 WUV

Datum uitspraak: 9 augustus 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen de besluit van verweerder van 1 december 2017, kenmerk BZ011140957 (bestreden besluit 1) onderscheidenlijk kenmerk BZ011139125 (bestreden besluit 2). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen

burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo) onderscheidenlijk de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv)

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2018. Appellant is verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren in 1941, heeft in november 2011 een zogenoemde samenloop-aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de Wubo dan wel de Wuv naar gelang het gunstigst is. Verweerder heeft de Wubo-aanvraag afgewezen bij besluit van 8 augustus 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 december 2012, op de grond dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk is gemaakt dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in de Wubo. Daarbij is overwogen dat de gestelde internering tijdens de

Bersiap-periode niet is komen vast te staan of voldoende aannemelijk is gemaakt. De

Wuv-aanvraag is eveneens afgewezen bij besluit van 8 augustus 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 december 2012, op de grond dat niet is komen vast te staan dat appellant vervolging in de zin van de Wuv heeft ondergaan. In dat verband is overwogen dat appellant tijdens de Japanse bezetting niet geïnterneerd is geweest in een verblijfplaats waar permanente bewaking werd beoogd. Tegen de besluiten van 12 december 2012 is geen beroep aangetekend.

1.2.

In mei 2017 heeft appellant verzocht de onder 1.1 genoemde afwijzingen te herzien. Verweerder heeft de verzoeken afgewezen bij besluiten van 10 augustus 2017, na bezwaar gehandhaafd bij bestreden besluiten 1 en 2, op de grond dat appellant geen nieuwe feiten of gegevens naar voren heeft gebracht die tot andere beslissingen zouden moeten leiden.

2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd, komt de Raad tot de volgende beoordeling.

2.1.

Op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wuv onderscheidenlijk artikel 61, derde lid, van de Wubo, is verweerder bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door hem gegeven beschikking in het voordeel van de bij die beschikking betrokkene te herzien. Gelet op het karakter van deze discretionaire bevoegdheid kan de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid toetsen. Daarbij staat centraal de vraag of er nieuwe feiten of gegevens naar voren zijn gekomen die tot een andere beslissing zouden moeten leiden.

2.2.

Van dergelijke gegevens is ook de Raad niet gebleken. Ook nu is geen bevestiging verkregen dat appellant vervolging in de zin van de Wuv heeft ondergaan dan wel direct betrokken is geweest bij gebeurtenissen als bedoeld in de Wubo. Appellant heeft uitgebreid gewezen op de moeilijke omstandigheden waaronder hij en andere Indische Nederlanders na aankomst in Nederland zijn opgevangen en de effecten daarvan op zijn verdere leven. Anders dan appellant blijkbaar voor ogen heeft, biedt de Wuv of de Wubo geen mogelijkheid een schadevergoeding dan wel genoegdoening toe te kennen voor het leed dat appellant in de oorlogsjaren en nadien bij zijn aankomst in Nederland heeft ervaren. Binnen de strikte regels van beide wetten kan alleen de persoon die is erkend als vervolgde in de zin van de Wuv en/of als burger-oorlogsslachtoffers in de zin van de Wubo aan deze wetten financiële aanspraken ontlenen. Zoals hiervoor is geconcludeerd kan appellant niet op grond van één van deze wetten worden erkend.

2.3.

Het besluit van verweerder om niet tot herziening over te gaan kan de terughoudende toets van de Raad doorstaan. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2018.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) C.A.E. Bon

sg