Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2490

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-08-2018
Datum publicatie
13-08-2018
Zaaknummer
17/782 AOR
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

AOR-verstrekkingen terecht afgewezen. Onvoldoende aangetoond of aannemelijk gemaakt dat appellant in omstandigheden heeft verkeerd in de zin van de AOR.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0650
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/782 AOR

Datum uitspraak: 9 augustus 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 20 december 2016, kenmerk BZ01100695 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A. Bierenbroodspot. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren in 1950, heeft in januari 2016 verzocht om toekenningen op grond van de AOR.

1.2.

Bij besluit van 21 juni 2016, na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvraag afgewezen op de grond dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk is gemaakt dat appellant in omstandigheden heeft verkeerd in de zin van de AOR.

2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd, komt de Raad tot de volgende beoordeling.

2.1.

Op grond van artikel 1 van de AOR - zoals aangevuld bij Ordonnantie van

5 november 1945 (Ned. Ind. Stb. 1946, 118) - wordt onder oorlogsletsel verstaan, voor zover hier van belang:

het lichamelijk, dan wel geestelijk letsel, ziekte daaronder begrepen, hetwelk aan een persoon is overkomen

  • -

    als gevolg van een actie van de vijand, van enige handeling of nalatigheid van een onderdeel of lid van de weermacht of van de burgerlijke hulpdiensten in tijd van feitelijke oorlog, dan wel van maatregelen of omstandigheden welke met de oorlogsvoering onverbrekelijk samenhangen;

  • -

    gedurende internering, krijgsgevangenschap, gedwongen tewerkstelling, of gedurende gevangenschap, vooronderzoek dan wel aanhouding, als gevolg van verdenking wegens daden, welke gericht waren tegen de bevelen van het Japanse bezettingsleger en niet vallen onder het gewone strafrecht;

  • -

    in de periode vanaf 15 augustus 1945 (tot 13 januari 1954, zoals later is bepaald) als gevolg van tegen hem gerichte actie van de bedrijvers van de ongeregeldheden, welke na de capitulatie van Japan in Nederlands-Indië zijn ontstaan, dan wel als gevolg van de maatregelen tot herstel van de orde en rust genomen.

2.2.

Het bestreden besluit steunt op de overweging dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk is gemaakt dat appellant in omstandigheden heeft verkeerd in de zin van de AOR. Daarbij is overwogen dat er geen objectieve bevestigingsgegevens zijn verkregen waar appellant heeft verbleven vanaf zijn geboorte tot aan zijn vertrek naar Nederland in 1952. Hierbij is opgemerkt dat het bekend is dat er op 23 januari 1950 onlusten in Bandung plaatsvonden in het kader van de zogeheten APRA-actie, maar dat appellant op die datum nog niet was geboren. Het voormalige interneringskamp Tjimahi heeft na de Japanse bezetting dienst gedaan als opvangkamp en als het in 1950 nog functioneerde als opvangkamp, kan dit niet worden aangemerkt als een omstandigheid in de zin van de AOR. Verder is opgemerkt dat bekend is dat een APRA-macht het TRIS-kampement van Tjimahi heeft aangevallen op 23 januari 1950, maar appellant was op die datum niet geboren.

2.3.

Verweerder kan in dit standpunt worden gevolgd. Appellant schetst in beroep een algemeen beeld van de onrustige en levensbedreigende situatie in Indonesië van zijn geboorte. Enige bevestiging dat hij in een AOR-omstandigheid heeft verkeerd ontbreekt echter. Appellant heeft, ook in beroep, geen duidelijkheid kunnen geven over de vraag waar in Indonesië hij zijn eerste twee levensjaren heeft doorgebracht. Appellant noemt het opvangkamp Tjimahi omdat dit het kamp is waar naar zijn zeggen zijn moeder geïnterneerd is geweest. Het Nederlandse Rode Kruis noemt echter een tweetal andere kampen.

2.4.

Appellant heeft voorts gewezen op de verklaringen van twee getuigen die bevestigen dat appellant onder erbarmelijke omstandigheden in een opvangkamp Tjimahi heeft verbleven. Deze bieden geen houvast voor de conclusie dat appellant oorlogsgebeurtenissen in de zin van de AOR heeft meegemaakt.

2.5.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2018.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) C.A.E. Bon

sg