Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2488

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-08-2018
Datum publicatie
10-08-2018
Zaaknummer
17/1392 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek voor een nieuwe vaststelling van de uitkering. De Raad komt tot de conclusie dat het vermogen achteruit is gegaan door hogere uitgaven dan uit het normale inkomen kunnen worden gedaan. Appellante heeft veel uitgegeven aan kosten voor advocaten en notarissen. Verder is niet gebleken dat de kosten in verband staan met causale ziekten of gebreken. Appellante heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de vermogensvermindering heeft plaatsgevonden buiten de invloedsfeer van appellante, zodat geen ruimte bestaat om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 60, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wubo

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1392 WUBO

Datum uitspraak: 9 augustus 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.P. van der Vliet, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 30 december 2016, kenmerk BZ01844380 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Vliet. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren in 1940, is op grond van psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo. Met ingang van 1 april 1995 is appellante onder meer in aanmerking gebracht voor een periodieke uitkering.

1.2.

Vanaf 1997 is appellante gefaseerd een vermogen toegevallen in de vorm van een erfenis. Bij besluit van 12 december 2003 heeft verweerder de Wubo-uitkering van appellante over de jaren 1997 tot en met 2002 definitief vastgesteld. Dat heeft geleid tot een terugvordering van € 40.798,58 aan teveel betaalde uitkering. Rekening houdend met de door appellante gemaakte advocaat- en notariskosten die appellante heeft moeten maken om de erfenis te verkrijgen is het vermogen van appellante vastgesteld op € 377.830,53. Tegen het besluit van 12 december 2003 zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3.

In juli 2014 heeft appellante een aanvraag ingediend voor een nieuwe vaststelling van haar uitkering. Appellante heeft daarbij kenbaar gemaakt dat haar vermogen voor een groot deel is opgegaan aan advocaat- en notariskosten. Dat verzoek is afgewezen bij besluit van

5 maart 2015 op de grond dat een nieuwe vaststelling niet zal leiden tot een hogere uitkering voor appellante. Bij de nieuwe berekening van de uitkering heeft verweerder rekening gehouden met een vermogen van € 372.005,41.

1.4.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de hoogte van het vermogen dat verweerder heeft gehanteerd bij de nieuwe berekening van de uitkering. Gesteld is dat ter verkrijging van de erfenis diverse advocaat- en notariskosten zijn gemaakt die op de erfenis in mindering moeten worden gebracht. Appellante stelt verder dat er geen vermogen meer is omdat zij dit in de loop der jaren heeft moeten aanspreken. Het bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Overwogen is dat niet is komen vast te staan dat de aangevoerde advocaat- en notariskosten louter zijn gemaakt ter verkrijging van de erfenis. Een deel van de kosten blijkt ingegeven te zijn door procedures die voortvloeien uit de slechte onderlinge familierelatie. Bij de berekening van de uitkering in 2003 is al rekening gehouden met de advocaat- en notariskosten. Over de achteruitgang van het vermogen is overwogen dat niet is gebleken dat de vermindering van het vermogen is gelegen in factoren waarop appellante geen invloed heeft kunnen uitoefenen.

2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep naar voren hebben gebracht, komt de Raad tot de volgende beoordeling.

2.1.

In artikel 60, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wubo, voor zover van belang, is bepaald dat op aanvraag van de uitkeringsgerechtigde de periodieke uitkering opnieuw wordt vastgesteld indien de opnieuw vast te stellen uitkering ten minste 1% van de voor de uitkeringsrechtigde geldende grondslag hoger is dan de laatst vastgestelde of aangepaste uitkering. Op grond van artikel 60, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wubo, voor zover van belang, wordt de periodieke uitkering ook herzien indien het vermogen van de uitkeringsgerechtigde en zijn of haar echtgenoot door oorzaken gelegen in factoren waarop de uitkeringsgerechtigde geen invloed heeft kunnen uitoefenen, zodanig is verminderd dat het niet herzien van de laatst vastgestelde inkomsten uit vermogen tot een klaarblijkelijke hardheid zou leiden.

2.2.

Uit de gedingstukken komt naar voren dat vermogen van appellante drastisch is verminderd. Appellante doet een beroep op de anti-hardheidsbepaling van artikel 60, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wubo, en stelt dat de vermogensvermindering is veroorzaakt door factoren waarop zij geen invloed heeft kunnen uitoefenen.

2.3.

Bij het vaststellen van het vermogen in 2003 heeft verweerder de op dat moment bekende bedragen van advocaat- en notariskosten, die zijn gemaakt ter verkrijging van de erfenis, op het vermogen in mindering gebracht. Namens appellante wordt betoogd dat er meer advocaat- en notariskosten zijn gemaakt. Het gaat volgens haar om een bedrag van ruim € 41.000,- aan advocaat- en notariskosten, waarmee ten onrechte geen rekening is gehouden. Dit betoog slaagt niet. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt ter verkrijging van de erfenis. Verweerder wordt gevolgd in de conclusie dat deze kosten veeleer lijken voort te komen uit de onenigheid die binnen de familie is ontstaan door de erfenis.

2.4.

Verder heeft appellante aangevoerd dat zij, doordat zij over de periode van mei 1997 tot juni 2014 geen uitkering heeft ontvangen, in totaliteit een bedrag van € 114.000,- aan het vermogen heeft moeten onttrekken. Het is de Raad onvoldoende duidelijk geworden hoe appellante het bedrag van € 114.000,- heeft bepaald. Zij lijkt hierbij het bedrag van

€ 40.798,58 te betrekken dat van appellante is teruggevorderd over de periode van 1997 tot en met 2002. Daarmee voert zij dit bedrag tweemaal op; éénmaal als terugvorderingsbedrag en éénmaal als bedrag dat onderdeel uitmaakt van € 114.000,-.

2.5.

Het geheel aan gedingstukken en de door appellante aangeleverde documenten overziend, komt de Raad tot de conclusie dat het vermogen achteruit is gegaan door hogere uitgaven dan uit het normale inkomen kunnen worden gedaan. Appellante heeft veel uitgegeven aan kosten voor advocaten en notarissen. Verder is niet gebleken dat de kosten in verband staan met causale ziekten of gebreken. Appellante heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de vermogensvermindering heeft plaatsgevonden buiten de invloedsfeer van appellante, zodat geen ruimte bestaat om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 60, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wubo.

2.6.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2018.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) J. Smolders

IJ