Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2481

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-08-2018
Datum publicatie
10-09-2018
Zaaknummer
17/5781 PW-V
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzet ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 9 augustus 2018

17 5781 PW-V

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 juli 2017, 17/224 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 20 februari 2018 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Namens appellant heeft mr. Ö. Arslan, advocaat, verzet gedaan.

Het verzet is behandeld ter zitting van 7 juni 2018. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Arslan. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 20 februari 2018 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de gestelde termijn is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is gestort, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.

In verzet heeft de gemachtigde van appellant te kennen gegeven dat appellant niet de middelen had om het griffierecht te betalen. Hij heeft niet om vrijstelling van het griffierecht verzocht omdat zijn inkomen niet minder bedraagt dan 90% van de bijstandsnorm voor een alleenstaande. Appellant heeft echter veel schulden en er is beslag op zijn inkomen gelegd.

De gemachtigde van appellant heeft verzocht appellant alsnog in de gelegenheid te stellen het griffierecht te voldoen.

De Raad is van oordeel dat in verzet geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
Nog daargelaten of appellant voor vrijstelling in aanmerking zou komen heeft de Raad dit niet kunnen beoordelen omdat appellant niet binnen de termijn waarbinnen het griffierecht moest worden voldaan een beroep op betalingsonmacht heeft gedaan. Appellant heeft ook niet om uitstel van betaling verzocht. Het wettelijke stelsel biedt geen ruimte om appellant een nieuwe termijn voor de betaling van het griffierecht te geven.

Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van N.L. Kuipers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2018.

(getekend) H.C.P. Venema

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

RH