Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2478

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-08-2018
Datum publicatie
10-08-2018
Zaaknummer
17/7475 ZW-V
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzet ongegrond. Niet is gebleken dat appellant na zijn detentie in de onmogelijkheid verkeerde om zijn post af te (laten) handelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 9 augustus 2018

17/7475 ZW-V, 17/7476 WW-V

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 4 oktober 2017, 17/2340, 17/2536 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 1 maart 2018 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Namens appellant heeft mr. C. Crince Le Roy, advocaat, verzet gedaan.

Het verzet is behandeld ter zitting van 7 juni 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Crince Le Roy. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 1 maart 2018 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de gestelde termijn is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is gestort, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.

In verzet heeft (de gemachtigde van) appellant te kennen gegeven dat appellant in verband met zijn detentie van eind oktober/begin november 2017 tot en met 17 januari 2018 geen kennis heeft kunnen nemen van de brieven waarbij hij er op is gewezen dat hij griffierecht moet betalen en daarom niet tijdig een beroep op betalingsonmacht heeft kunnen doen. Hij was dit wel van plan. De post van appellant werd bezorgd bij zijn moeder die medische problemen heeft en de Nederlandse taal niet goed machtig is. Na zijn detentie was appellant dakloos. De gemachtigde van appellant stelt zich op het standpunt dat de toegang tot de rechter niet mag worden beperkt omdat het griffierecht niet is voldaan en niet tijdig om vrijstelling van het griffierecht is verzocht.

De gemachtigde van appellant heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Appellant heeft bij brief van 17 november 2017 hoger beroep ingesteld. Appellant heeft het adres van zijn moeder als postadres opgegeven en de nota voor voldoening van het griffierecht en de daaropvolgende betalingsherinnering zijn naar het door hem opgegeven adres gezonden. Appellant heeft niet kenbaar gemaakt dat hij op dit adres niet bereikbaar was. Indien zijn moeder niet in staat was zijn administratie bij te houden, dan had het op de weg van appellant gelegen andere maatregelen te treffen om afhandeling van post mogelijk te maken. Aangezien de termijn waarbinnen het griffierecht moest worden voldaan eindigde op 31 januari 2018, had appellant bovendien na zijn detentie nog twee weken de tijd om zich tot de Raad te wenden voor een verzoek om vrijstelling van het griffierecht. Niet is gebleken dat appellant na zijn detentie in de onmogelijkheid verkeerde om zijn post af te (laten) handelen.

Voor zover de gemachtigde van appellant heeft betoogd dat het tegenwerpen van het niet tijdig betalen van het griffierecht de toegang tot de rechter belemmert en dat dit strijd oplevert met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, slaagt dit betoog niet. Appellant is in de nota gewezen op de mogelijkheid om een beroep op betalingsonmacht te doen. Dat de nota hem niet heeft bereikt komt voor rekening en risico van appellant. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat het op grond van artikel 8:109, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb geheven griffierecht van € 126,- appellant wezenlijk heeft belemmerd in zijn recht op toegang tot de rechter.

Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van N.L. Kuipers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2018.

(getekend) H.C.P. Venema

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

LO