Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2477

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-08-2018
Datum publicatie
10-08-2018
Zaaknummer
18/708 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De korpschef heeft bij nader besluit opnieuw beslist het verzoek van betrokkene om zijn eerdere verzoek om smartengeld opnieuw in ogenschouw te nemen, terecht afgewezen.

Het systeem voorziet in een eenmalige beoordeling van de invaliditeit of arbeidsongeschiktheid en in toekenning van een daarop gebaseerde eenmalige smartengelduitkering. Hebben die beoordeling en toekenning eenmaal plaatsgevonden, dan is de zaak afgedaan. Later ingetreden omstandigheden, of die nu ten voordele of ten nadele van de betrokkene werken, kunnen dat niet anders maken. De korpschef was niet gehouden om betrokkene naar aanleiding van zijn aanvraag van 20 mei 2016 nog een aanvullend bedrag toe te kennen. Ook als de medische situatie van betrokkene in de toekomst nog zou verbeteren kan dat de smartengelduitkering niet meer beïnvloeden.

Beroep op gelijke behandeling afgewezen. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 29 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3770) strekt het gelijkheidsbeginsel niet zover dat het bestuursorgaan gehouden is om in het verleden gemaakte fouten te herhalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2019/4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 708 AW, 18/2110 AW

Datum uitspraak: 9 augustus 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

21 december 2017, 16/5590 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de korpschef van politie (korpschef)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Namens de korpschef heeft mr. M.H. ten Have, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de korpschef op 12 maart 2018 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (nader besluit). Namens betrokkene heeft mr. B.O. Vreeswijk hierop een zienswijze gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2018. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Ten Have. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. Vreeswijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene was werkzaam als politieambtenaar. Bij besluit van 22 april 2014 heeft de korpschef de bij betrokkene vastgestelde Posttraumatische Stressstoornis (PTSS) erkend als beroepsziekte als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder y van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp).

1.2.

Op 20 maart 2015 heeft betrokkene de korpschef verzocht om hem, in verband met zijn PTSS, smartengeld als bedoeld in artikel 54a van het Barp toe te kennen. Bij besluit van

29 juli 2015 heeft het de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) betrokkene, ingaande 15 april 2015, arbeidsongeschikt verklaard naar een mate van 69%. Betrokkene heeft de korpschef hiervan op 20 augustus 2015 op de hoogte gesteld en heeft daarbij laten weten dat er sprake is van een medische eindsituatie. Bij besluit van 28 september 2015 heeft de korpschef aan betrokkene met toepassing van de zogeheten Coulanceregeling PTSS Politie (brief van de Minister van Veiligheid en Justitie van 26 september 2014, TK 2014-2015, 29 628, nr. 468; Coulanceregeling) een bedrag van € 127.456,- aan smartengeld als bedoeld in artikel 54a van het Barp toegekend, op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 69%.

1.3.

Bij besluit van 29 maart 2016 heeft het Uwv betrokkene 100% arbeidsongeschikt verklaard. Op 20 mei 2016 heeft betrokkene de korpschef verzocht om zijn eerdere verzoek om smartengeld opnieuw in ogenschouw te nemen en om in aanvulling op het besluit van

28 september 2015 een arbeidsongeschiktheidspercentage van 100 toe te passen bij het (opnieuw) aanvullend toekennen van smartengeld.

1.4.

Bij besluit van 22 juni 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 januari 2017 (bestreden besluit), heeft de korpschef het verzoek van betrokkene afgewezen omdat niet

is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van

de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uit de niet-medische rapportage eerstejaars ziektewetbeoordeling van 22 februari 2016 (bijlage bij het Uwv-besluit van 29 maart 2016) blijkt volgens de korpschef dat betrokkene al vanaf 15 april 2015 100% arbeidsongeschikt was wegens psychische klachten. Het was betrokkene in ieder geval bekend dat zijn arbeidsongeschiktheid significant was toegenomen. Hij heeft echter nagelaten deze veranderde omstandigheid voorafgaand aan, tijdens, of ten minste zes weken na het besluit van 28 september 2015 aan de korpschef kenbaar te maken, terwijl hij daartoe wel in de gelegenheid was. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is, aldus verder de korpschef in het bestreden besluit, geen sprake. Er is geen sprake van gelijke gevallen. In het door betrokkene genoemde geval van zijn collega S was wel sprake van veranderde omstandigheden die ten tijde van het oorspronkelijke besluit nog niet konden worden aangevoerd.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb vernietigd en de korpschef opgedragen een nieuw besluit te nemen. Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat, overwogen dat noch in het besluit van het Uwv van

29 maart 2016 noch in het daaraan ten grondslag liggende rapport is vermeld dat betrokkene met terugwerkende kracht tot 15 april 2015 100% arbeidsongeschikt is verklaard. Uit de stukken blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het Uwv op basis van een door een bij het Uwv werkzame verzekeringsarts op 22 februari 2016 verricht medisch onderzoek heeft vastgesteld dat betrokkene op 22 februari 2016 100% arbeidsongeschikt was. Hieruit volgt dat ten tijde van het besluit van 28 september 2015 geen sprake was van een medische eindsituatie. Dit is naar het oordeel van de rechtbank een per 22 februari 2016 veranderde omstandigheid. De rechtbank verwerpt dan ook de stelling van de korpschef dat betrokkene ten tijde van besluit van 28 september 2015 dan wel in de zes weken daarop volgend al 100% arbeidsongeschikt was. Verder heeft de rechtbank overwogen dat betrokkene voldoende heeft gemotiveerd en onderbouwd dat zijn zaak en de zaak van S, waarin het smartengeld middels een tweede toekenningsbesluit is opgehoogd, rechtens gelijke gevallen zijn. In beide gevallen is op grond van een mededeling van betrokkenen zelf vastgesteld dat sprake was van een medische eindsituatie en in beide gevallen is het arbeidsongeschiktheidspercentage na het toekenningsbesluit gewijzigd, zodat ten tijde daarvan achteraf gezien toch geen sprake was van een medische eindsituatie. De korpschef heeft eerst ter zitting de stelling ingenomen dat in de andere zaak wellicht een fout is gemaakt en dat hij niet is gehouden een gemaakte fout te herhalen. De rechtbank verwerpt deze stelling als niet gemotiveerd en niet onderbouwd. De conclusie van de rechtbank is dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en niet op een deugdelijke feitelijke grondslag berust.

2.2.

Bij het nadere besluit heeft de korpschef het bezwaar van betrokkene opnieuw ongegrond verklaard. In de zaak van S is, aldus de korpschef, achteraf gezien sprake van een foutieve uitleg van de regelgeving. Vanzelfsprekend zal de korpschef deze foutieve uitleg niet herhalen. De strekking van de regelgeving is, aldus verder de korpschef, dat het uitkeringspercentage wordt vastgesteld zodra voorzienbaar is dat de mate van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van de beroepsziekte niet meer zal toe- of afnemen. Een aan de hand van de medische eindsituatie vastgesteld uitkeringspercentage kan zodoende later niet meer worden verhoogd of verlaagd. Een andere uitleg zou in strijd zijn met de rechtszekerheid.

2.3.

Het nadere besluit wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, mede in de beoordeling betrokken.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het hoger beroep van de korpschef

3.1.

De gronden waarop het hoger beroep van de korpschef berust komen inhoudelijk overeen met de motivering die ten grondslag is gelegd aan het nadere besluit. De korpschef heeft ter zitting van de Raad bevestigd niet langer het standpunt in te nemen dat de ophoging van het arbeidsongeschiktheidspercentage naar 100, of althans de significant toegenomen arbeidsongeschiktheid, al vanaf 15 april 2015 bij betrokkene bekend had kunnen zijn en dat betrokkene daarvan al bij zijn eerste aanvraag melding had kunnen maken. Ook heeft de korpschef laten weten thans het standpunt in te nemen dat in de zaak van S een fout is gemaakt. Naar zeggen van de korpschef betreft het een éénmalige vergissing, die enkel en alleen in het geval van S is gemaakt. De korpschef acht zich niet gehouden deze fout te herhalen.

3.2.

Het overwogene onder 3.1 betekent dat het hoger beroep van de korpschef niet kan slagen. In dat hoger beroep neemt de korpschef immers afstand van zijn oorspronkelijke standpuntbepaling. Het hoger beroep kan dus niet afdoen aan de slotsom van de rechtbank dat de voorbereiding en de motivering van het bestreden besluit gebreken hebben vertoond. Dat geldt niet alleen voor zover in dat besluit is gesteld dat betrokkene bij zijn eerste aanvraag al melding had kunnen maken van de latere ophoging van zijn arbeidsongeschiktheid, maar ook wat betreft het door betrokkene gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel. De korpschef heeft immers niet bestreden dat hij niet eerder dan ter zitting van de rechtbank melding heeft gemaakt van het mogelijk op een fout berusten van het ten aanzien van S genomen besluit, dat hij daarbij met het woord “wellicht” een slag om de arm heeft gehouden en dat hij deze stelling toen niet nader heeft kunnen toelichten. De rechtbank heeft die stelling dus niet ten onrechte als onvoldoende onderbouwd buiten beschouwing gelaten.

3.3.

De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

Het nadere besluit

3.4.

Ingevolge artikel 54a, eerste lid, van het Barp wordt in geval van invaliditeit die voortvloeit uit een dienstongeval of een beroepsziekte aan de desbetreffende ambtenaar smartengeld vergoed tot een daar genoemd, jaarlijks te indexeren, maximum bedrag. Op grond van het vierde lid van genoemde bepaling stelt de minister nadere regels vast omtrent de toekenning van de uitkering, bedoeld in het eerste lid.

3.5.

Bedoelde nadere regels zijn, voor zover het beroepsziekten als hier aan de orde betreft, neergelegd in de Regeling vergoeding beroepsziekten politie. Uitgangspunt van deze regeling is dat naar aanleiding van een aanvraag om smartengeld door een deskundige een invaliditeitspercentage wordt vastgesteld. Is er evenwel sprake van arbeidsongeschiktheid, en is het door het Uwv vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage, voor zover te relateren aan de beroepsziekte, hoger dan het genoemde invaliditeitspercentage, dan wordt van dat arbeidsongeschiktheidspercentage uitgegaan. De vaststelling vindt plaats zodra voorzienbaar is dat de mate van invaliditeit of, indien van toepassing, arbeidsongeschiktheid, ten gevolge van het dienstongeval of de beroepsziekte niet meer zal toenemen of afnemen. Uiterlijk drie jaar na melding van de beroepsziekte bij het bevoegd gezag wordt langs objectief medische weg getoetst of sprake is van een dergelijke eindsituatie, dan wel of die eindsituatie binnen redelijke termijn kan worden bereikt. Indien dat laatste het geval is, wordt de termijn van drie jaar met ten hoogste twee jaar verlengd. Indien er na drie jaar geen zicht is op het binnen redelijke termijn bereiken van een eindsituatie, dan wel wanneer die na vijf jaar nog niet is bereikt, wordt de mate van arbeidsongeschiktheid naar de stand van zaken van dat moment vastgesteld. Het smartengeld is gelijk aan het vastgestelde percentage, vermenigvuldigd met het in artikel 54a, eerste lid, van het Barp genoemde bedrag. Het smartengeld zal per aanvraag nooit meer kunnen bedragen dan het daar genoemde maximumbedrag.

3.6.

De ten aanzien van betrokkene toegepaste Coulanceregeling beoogt te voorzien in compensatie voor ex-politiemedewerkers voor wie de wettelijke verjaringstermijn van vijf jaar is verstreken. Daarbij wordt zo veel mogelijk aangesloten bij de bestaande rechtspositionele voorzieningen, zoals weergegeven onder 3.4 en 3.5. Betrokkene valt onder de groep van ex-medewerkers die tussen 24 februari 1997 en 1 januari 2015 PTSS heeft opgelopen. Het percentage van invaliditeit of arbeidsongeschiktheid bepaalt de hoogte van de compensatie, die maximaal € 150.000,- bedraagt. Beoordeling vindt plaats op basis van de medische eindsituatie.

3.7.

Het aldus vormgegeven systeem voorziet in een eenmalige beoordeling van de invaliditeit of arbeidsongeschiktheid en in toekenning van een daarop gebaseerde eenmalige smartengelduitkering. Hebben die beoordeling en toekenning eenmaal plaatsgevonden, dan is de zaak afgedaan. Later ingetreden omstandigheden, of die nu ten voordele of ten nadele van de betrokkene werken, kunnen dat niet anders maken. In het geval van betrokkene heeft de bedoelde beoordeling, die heeft plaatsgevonden op grond van het toen geldende arbeidsongeschiktheidspercentage, tot het besluit van 28 september 2015 geleid. Dat besluit is inmiddels rechtens onaantastbaar geworden. Daarmee is de smartengeldaanvraag van betrokkene afgehandeld. De korpschef was niet gehouden om betrokkene naar aanleiding van zijn aanvraag van 20 mei 2016 nog een aanvullend bedrag toe te kennen.

3.8.

Betrokkene heeft zich beroepen op de termijn van uiterlijk drie jaar, eventueel te verlengen met nog twee jaar, voor het beoordelen of sprake is van een medische eindsituatie, zoals die geldt op grond van Regeling vergoeding beroepsziekten politie. Deze termijn geldt in het kader van de besluitvorming. Deze besluitvorming is in het geval van betrokkene voltooid met het besluit van 28 september 2015. Een beroep op de genoemde termijn had betrokkene kunnen doen in het kader van zijn aanvraag om dat besluit, of uiterlijk nog in bezwaar tegen dat besluit, maar zo’n beroep kan thans geen doel meer treffen. Datzelfde geldt voor eventuele andere wensen en bezwaren met betrekking tot het traject dat tot het genoemde besluit heeft geleid.

3.9.

De korpschef deelt zoals gezegd thans alsnog het door de rechtbank onderschreven standpunt van betrokkene dat de verhoging van het arbeidsongeschiktheidspercentage op

29 juli 2016 geen terugwerkende kracht had en dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid voorafgaand aan het medisch onderzoek op 22 februari 2016 nog niet kenbaar aan de orde was. De Raad onderschrijft die conclusies ook. Alleen al het ontbreken van bedoelde terugwerkende kracht betekent dat de korpschef ook niet gehouden was om, langs de weg van artikel 4:6 van de Awb, van het besluit van 28 september 2015 terug te komen. Dat er ná het nemen van dat besluit, tegen de kennelijke verwachting van betrokkene in, nog verandering in de arbeidsongeschiktheid is ingetreden – waarbij overigens niet uit de stukken blijkt of ditmaal wel sprake is van een medische eindsituatie – is eenvoudigweg niet meer relevant voor het smartengeld zoals dat bij genoemd besluit reeds definitief aan betrokkene is toegekend. Ook als de medische situatie van betrokkene in de toekomst nog zou verbeteren kan dat de smartengelduitkering niet meer beïnvloeden.

3.10.

De korpschef heeft ten slotte toegelicht dat de zaak van S inderdaad vergelijkbaar is met de zaak van betrokkene en dat inmiddels duidelijk is geworden dat de toekenning aan S van een aanvullend bedrag aan smartengeld op een foutieve interpretatie van de regelgeving berust. De korpschef heeft daarbij benadrukt dat er geen andere gevallen zijn waarin deze foutieve interpretatie ook heeft plaatsgevonden. Nu er geen aanleiding is, ook gezien wat namens betrokkene hieromtrent naar voren is gebracht, hierover anders te oordelen, kan de korpschef worden gevolgd in zijn standpunt dat hij niet gehouden is om in dit geval dienovereenkomstig te beslissen. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 29 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3770) strekt het gelijkheidsbeginsel niet zover dat het bestuursorgaan gehouden is om in het verleden gemaakte fouten te herhalen.

3.11.

Het beroep tegen het nadere besluit zal ongegrond worden verklaard.

4. Aanleiding bestaat de korpschef te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep, tot een bedrag van € 501,- aan kosten van rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 12 maart 2018 ongegrond;

- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van betrokkene, tot een bedrag van € 501,-;

- bepaalt dat van de korpschef een griffierecht wordt geheven ten bedrage van € 508,-.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en B.J. van de Griend en

H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van F. Demiroğlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2018.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) F. Demiroğlu

IJ