Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2475

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-07-2018
Datum publicatie
10-08-2018
Zaaknummer
17/3576 AWBZ-VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Proces-verbaal mondelinge uitspraak. Verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Het verzoek om een voorlopige voorziening voldoet niet aan het materiële connexiteitsvereiste. Gelet op de inhoud van het bestreden besluit is er geen connex verband tussen de gevorderde voorlopige voorziening en het in de bodemprocedure voorliggende geschil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3576 AWBZ-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor)

Datum uitspraak: 23 juli 2018

Zitting heeft: J. Brand

Griffier: R.P.W. Jongbloed

Op 23 juli 2018 zijn ter zitting verschenen: verzoeker, bijgestaan door mr. J.W.F. Menick, advocaat, en voor het zorgkantoor mr. M.H.D. Saro, advocaat. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek gesloten en bepaald dat mondeling uitspraak wordt gedaan op het verzoek om voorlopige voorziening.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening

niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

1. De Raad heeft bij uitspraak van 14 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2199), voor zover van belang, na gedeeltelijke vernietiging van het besluit op bezwaar van 19 augustus 2015, het zorgkantoor opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraak en bepaald dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld.

2. Bij besluit van 12 januari 2018 (bestreden besluit) heeft het zorgkantoor, voor zover van belang, het bezwaar deels gegrond verklaard en het pgb over het jaar 2012 opnieuw vastgesteld. Voorts heeft het zorgkantoor bepaald dat het positieve saldo, dat overblijft na verwerking van de alsnog geaccepteerde kosten en het nieuwe verantwoordingsvrije bedrag over 2012, wordt verrekend met andere openstaande terugvorderingen of, indien deze er niet zijn, een nabetaling wordt verricht.

3. Tegen het bestreden besluit heeft verzoeker bij de Raad beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

4. Verzoeker heeft in het kader van zijn verzoek om een voorlopige voorziening het volgende verzocht:

- verlening van een voorschot van € 15.000,- om zijn financiële zaken weer in het gareel te brengen;

- handhaving van de bevoorschottingsmethodiek zoals het zorgkantoor voor 2014 hanteerde;

- het zorgkantoor aan te wijzen als uitvoerder van zorgaanspraken op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten voor de periode van 24 juni 2011 tot en met 23 juni 2026, of tot bekend is dat verzoeker op grond van de Wet langdurige zorg verzekerd is;

- betaling van zijn zorgverlener [naam] met ingang van 2015 via de Sociale verzekeringsbank.

5. Uit de functie van artikel 8:81 van de Awb vloeit voort dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van formele en materiële connexiteit. Niet alleen is voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening nodig dat tegen een besluit beroep is ingesteld bij de bestuursrechter (formele connexiteit), wat een verzoeker met zijn verzoek wil bereiken moet ook betrekking hebben op de inhoud van dat besluit (materiële connexiteit). Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 10 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3452.

6. Het verzoek om een voorlopige voorziening voldoet niet aan het materiële connexiteitsvereiste. Gelet op de inhoud van het bestreden besluit zoals beschreven onder 2 is er geen connex verband tussen de gevorderde voorlopige voorziening en het in de bodemprocedure voorliggende geschil. De omstandigheid dat verzoeker in (financiële) nood verkeert en wellicht op korte termijn uit zijn woning wordt gezet zijn voor verzoeker buitengewoon vervelende omstandigheden, maar maakt het vorenstaande niet anders. Het verzoek om een voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk.

7. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(get.) R.P.W. Jongbloed (get.) J. Brand

Voor eensluidend afschrift

de griffier van de

Centrale Raad van Beroep

GdJ