Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2463

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-08-2018
Datum publicatie
10-08-2018
Zaaknummer
15/5513 WW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:417
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WW- en ZW-uitkering terecht ingetrokken en teruggevorderd. Geen gezagsverhouding. Geen sprake van een privaatrechtelijke dienstbetrekking zodat appellante niet verzekerd was voor de WW en de ZW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2018-0073
SZR-Updates.nl 2018-0071
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 5513 WW, 15/5514 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 juli 2015, 14/6501, 14/6502 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] , België (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 9 augustus 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.P.M. Mol, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar opvolgend gemachtigde mr. S.J.E. Loontjens, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

De Raad heeft het onderzoek heropend en heeft de zaak naar de enkelvoudige kamer verwezen om op verzoek van appellante een getuige te horen. Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Op 26 april 2018 is [naam 1] , wonende te [gemeente 1] , als getuige gehoord, in bijzijn van appellante, mr. Loontjens en mr. Oosterbos.

Appellante en het Uwv hebben nadere reacties ingebracht.

De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. Partijen hebben desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.1.

Appellante heeft op 19 januari 2012 een formulier Aanvraag overname betalingsverplichtingen ingediend bij het Uwv. Op dit formulier heeft zij vermeld dat haar werkgever [naam werkgever] ( [naam werkgever] ) is, waar zij sinds 1 december 2010 voor onbepaalde tijd als consultant pensioencontracten in dienst is voor 40 uur per week tegen een brutoloon van € 5.500,- per maand. Op 19 januari 2012 heeft het Uwv tevens een werkgeversformulier ontvangen. Daarop is [naam 1] vermeld als contactpersoon. Ook is vermeld dat [naam werkgever] op 3 januari 2012 failliet is verklaard. Appellante is over de periode van 1 december 2011 tot en met 15 februari 2012 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van Hoofdstuk IV (faillissementsuitkering) van de Werkloosheidswet (WW) voor niet betaald loon. Verder is over andere perioden een vergoeding toegekend voor niet betaald vakantiegeld, vakantiedagen, levensloopregeling en 13e maand.

1.1.2.

Appellante heeft vervolgens op 19 april 2012 een WW-uitkering aangevraagd. Met ingang van 16 februari 2012 is zij in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering op basis van een urenverlies van 40 uur per week met een maximumdagloon. Op 13 mei 2012 heeft appellante zich vanuit de situatie dat zij een WW-uitkering ontving ziek gemeld. Met ingang van 13 augustus 2012 heeft zij een uitkering ontvangen op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

Naar aanleiding van een onderzoek naar het faillissement van [BV 1] , bij wie onder anderen [naam 2] was geregistreerd als werknemer (zie hiervoor de uitspraak van de Raad van 3 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:76), en andere vennootschappen heeft het Uwv onderzoek gedaan naar appellante. Dit heeft geresulteerd in een onderzoeksrapport van het Loket Gefingeerde Dienstverbanden (onderzoeksrapport), dat is afgerond op

17 februari 2014. In het onderzoeksrapport is een overzicht gegeven van gegevens van de curator, de Kamer van Koophandel, de Belastingdienst, Suwinet, stukken uit de administratie van de betreffende ondernemingen en op door getuigen afgelegde verklaringen tegenover een opsporingsambtenaar van het Uwv, waaronder een verklaring van [naam 1] . Daaruit is naar voren gekomen dat appellante en [naam 2] over en weer arbeidsovereenkomsten met elkaar zijn aangegaan: appellante heeft als bestuurder van [BV 2] ( [BV 2] ) op

13 december 2010 een arbeidsovereenkomst gesloten met [naam 2] en [naam 2] is namens [naam werkgever] op 27 december 2010 een arbeidsovereenkomst voor de duur van twee jaar, met ingang van 15 december 2010, aangegaan met appellante als administratief/aankomend acquisitie medewerker. Daarnaast is er een op 8 november 2010 ondertekende arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tussen [naam werkgever] en appellante, volgens welke appellante met ingang van 1 december 2010 in dienst is getreden als consultant pensioencontracten, blijkens welke overeenkomst [naam 1] namens [naam werkgever] is opgetreden. Volgens het Uwv blijkt uit het onderzoek dat [naam 2] met behulp van appellante en een drietal stromannen een schijnconstructie heeft opgezet. Deze constructie bestond uit een aantal aan [naam 2] en appellante gelieerde bedrijven waarvan [naam 2] de feitelijke eigenaar en leidinggevende was. Op deze wijze hebben zij de mogelijkheid gecreëerd om dienstverbanden bij de Belastingdienst en het Uwv te melden. Uit de verklaring van [naam 1] , de gegevens van de Belastingdienst en de administratie van [naam werkgever] blijkt volgens het Uwv dat er na oktober 2010 geen werkzaamheden voor derden zijn verricht. Het is dan ook niet aannemelijk dat appellante met ingang van 1 december 2010 daadwerkelijk werkzaamheden voor [naam werkgever] heeft verricht. Daarom kan geen sprake zijn geweest van een dienstverband en verzekeringsplicht voor de WW en de ZW volgens het Uwv.

1.3.

Bij besluit van 17 maart 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante ten onrechte een uitkering wegens betalingsonmacht heeft ontvangen, omdat er een gefingeerd dienstverband was. Het Uwv heeft over de periode van 1 juni 2011 tot en met 29 februari 2012 een bedrag van € 21.765,04 van appellante teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 24 maart 2014 heeft het Uwv de WW- en de ZW-uitkering van appellante ingetrokken, omdat appellante volgens het Uwv met ingang van 13 februari 2012 geen recht had op deze uitkeringen. Het Uwv heeft over de periode van 13 februari 2012 tot en met

12 augustus 2012 een bedrag van € 17.482,19 (WW) en over de periode van 13 augustus 2012 tot en met 29 december 2013 een bedrag van € 48.755,87 (ZW) van volgens het Uwv onverschuldigd betaalde uitkeringen van appellante teruggevorderd.

1.5.

Bij twee beslissingen op bezwaar van 29 augustus 2014 (bestreden besluiten 1 en 2) heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 17 maart 2014 en 24 maart 2014 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zijn standpunt gehandhaafd dat tussen appellante en [naam werkgever] geen sprake is geweest van een dienstverband, omdat gelet op het geheel van omstandigheden geen gezagsverhouding aanwezig was tussen appellante en [naam 2] , die volgens het Uwv de feitelijk eigenaar en leidinggevende van [naam werkgever] was.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de beroepen van appellante tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft beoordeeld of sprake was van een gezagsrelatie tussen appellante en [naam 2] , die de vader is van de kinderen van appellante, die onderscheidenlijk [in] 2008 en [in] 2009 geboren zijn. De rechtbank heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Zelfs als zou worden aangenomen dat appellante en [naam 2] in de in geding zijnde periode niet op hetzelfde adres hoofdverblijf hadden, dan was er volgens de rechtbank sprake van een wezenlijke familierechtelijke band via hun kinderen. Dat appellante bij [naam werkgever] vanaf 1 december 2010 als ondergeschikte in een gezagsrelatie tot [naam 2] stond, spreekt naar het oordeel van de rechtbank teminder voor zich, waar [naam 2] in zijn beroepszaken heeft gesteld dat hij tot 2013 juist de ondergeschikte was van appellante waar het betrof zijn werkzaamheden bij [BV 2] . Daaruit blijkt veeleer van een voortgaande betrokkenheid over en weer tussen appellante en [naam 2] . Er is geen grond om die betrokkenheid van minder gewicht te oordelen dan een situatie van feitelijk samenwonen en partnerschap. Het lag dan ook op de weg van appellante om concrete en verifieerbare feiten en omstandigheden aan te dragen die zouden kunnen leiden tot de conclusie dat zij wel degelijk werkzaam was in ondergeschiktheid (en niet in gelijkwaardigheid) aan [naam 2] . Appellante heeft dat niet gedaan. Dat betekent dat haar beroep ongegrond is. Bij deze stand van zaken kan wat het Uwv heeft aangevoerd over het al dan niet daadwerkelijk verrichten van arbeid volgens de rechtbank onbesproken blijven. Daarbij heeft de rechtbank opgemerkt dat het ontbreken van door appellante aangevoerde concrete feiten en omstandigheden met betrekking tot de werkzaamheden bij [naam werkgever] in lijn is met de door het Uwv getrokken conclusie dat door appellante feitelijk geen arbeid is verricht.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat de besluiten van het Uwv onvoldoende worden onderbouwd door het onderzoeksrapport en de daaraan ten grondslag liggende stukken. Er was volgens appellante geen partnerrelatie tussen haar en [naam 2] ten tijde van haar dienstverband met [naam werkgever] . Zij woonden toen niet samen en er was geen liefdesrelatie. [naam 2] was niet de feitelijke eigenaar, directeur en leidinggevende. Het was [naam 1] , deskundige op pensioengebied, die een bedrijf wilde beginnen, maar over onvoldoende financiële middelen beschikte om een bedrijf te starten. [naam 2] heeft [naam 1] financieel geholpen, waardoor hij aanvankelijk gerechtigd was tot 96% van de aandelen. Het was echter van aanvang af de bedoeling dat [naam 1] 100% aandeelhouder zou worden. [naam 1] was de leidinggevende van appellante en heeft haar opgeleid en ingewerkt in de materie van pensioenen. De verklaring die [naam 1] heeft afgelegd tegenover de opsporingsambtenaar van het Uwv is in strijd met de waarheid, aldus appellante.

3.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar de in het onderzoeksrapport opgenomen verklaring van [naam 1] van 17 december 2013, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het geschil betreft de vraag of het Uwv appellante terecht niet verzekerd heeft geacht voor de WW en de ZW, omdat geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Naar vaste rechtspraak moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 15 april 2011, ECLI:NL:CRVB: 2011:BQ1785). Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien (zie de uitspraken van de Hoge Raad van

25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3887 en van 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8926).

4.2.1.

Bij besluiten tot intrekking en terugvordering van sociale zekerheidsuitkeringen, zoals hier aan de orde, gaat het om belastende besluiten, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt in dit geval mee dat het Uwv feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat er van 1 december 2010 tot aan het faillissement op 3 januari 2012 geen privaatrechtelijke dienstbetrekking is geweest tussen appellante en [naam werkgever] . Indien op grond van de door het Uwv gepresenteerde feiten aannemelijk is dat appellante ten tijde hier van belang geen dienstbetrekking in de zin van de WW en de ZW heeft vervuld, dan ligt het op de weg van appellante de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.

4.2.2.

In hoger beroep is niet langer in geschil of sprake was van een gezagsverhouding tussen appellante en [naam 2] , omdat appellante zich op het standpunt heeft gesteld dat niet [naam 2] , maar [naam 1] haar leidinggevende was bij [naam werkgever] en er een gezagsrelatie was tussen haar en [naam 1] .

4.3.

De Raad heeft aanleiding gezien om [naam 1] op te roepen als getuige. [naam 1] heeft op 26 april 2018 onder ede zijn eerder afgelegde verklaring bevestigd. Zo heeft hij herhaald dat hij [naam 2] al langere tijd beroepsmatig kende en, toen hij het idee had opgevat om als zelfstandig pensioenconsulent te gaan werken, in [naam 2] een betrouwbare partner zag met ervaring als zelfstandig ondernemer en de middelen om een bedrijf te starten. Hij is actief met de oprichting van [naam werkgever] bezig geweest vanuit huis en later vanuit het woonadres van [naam 2] in [gemeente 2] , waar ook appellante en hun kinderen woonden en waar in de garage een kantoor was ingericht. Hij, [naam 1] , ging daar meerdere malen per week langs om te brainstormen met [naam 2] , waarbij appellante niet aanwezig was. Afgesproken is dat [naam 1] minderheidsaandeelhouder werd en [naam 2] heeft hem gevraagd om als bestuurder op te treden. Bij de aanvang van [naam werkgever] is appellante niet ter sprake gekomen als medewerker of als opleideling. Hij is per 1 oktober 2010 in dienst getreden en op

21 oktober 2010 voor zijn werkzaamheden uitgevallen na een val. Tijdens zijn ziekte heeft hij nog werkzaamheden voor [naam werkgever] verricht vanuit huis. Appellante is buiten hem om bij [naam werkgever] in beeld gekomen. In feite bepaalde [naam 2] wat er gebeurde en had hij zelf geen zeggenschap. [naam 2] heeft [naam 1] op enig moment verteld dat appellante activiteiten voor [naam werkgever] zou gaan verrichten. [naam 1] heeft appellante niet opgeleid voor pensioenactiviteiten en zij heeft onder zijn leiding en toezicht nooit iets gedaan voor [naam werkgever] . Ook heeft [naam 1] ontkend dat hij het werkgeversformulier, dat het Uwv op 19 januari 2012 heeft ontvangen, heeft ingevuld of heeft ondertekend. Kort voor het faillissement van [naam werkgever] heeft [naam 1] om te redden wat er nog te redden viel op 1 december 2011 de resterende 96% van de aandelen van [naam 2] overgenomen.

4.4.

Appellante heeft in een reactie op de verklaring van [naam 1] gewezen op de jarenlange niet strikt zakelijke, maar vriendschappelijke band tussen haar, [naam 2] en [naam 1] en heeft voorts de juistheid van diens verklaring betwist. Zij blijft erbij, dat [naam 1] haar heeft opgeleid en een grotere rol had binnen [naam werkgever] dan door hem te kennen is gegeven. Volgens appellante blijkt uit allerlei stukken dat [naam 1] na zijn ziekmelding werkzaamheden heeft verricht voor [naam werkgever] , dat hij wel degelijk op de hoogte was van haar indiensttreding en het dienstverband, dat hij haar heeft opgeleid en dat er sprake was van een gezagsverhouding tussen haar en [naam 1] .

4.5.

De verklaringen van [naam 1] en appellante staan lijnrecht tegenover elkaar. De verklaring uit het onderzoeksrapport van [naam 1] van 17 december 2013, waarop het Uwv zijn standpunt heeft gebaseerd dat [naam 1] niet de leidinggevende van appellante is geweest, komt in grote lijnen overeen met de verklaring die [naam 1] op 26 april 2018 bij de Raad heeft afgelegd. De beide verklaringen van [naam 1] zijn consistent en wijzen op het ontbreken van een gezagsrelatie tussen [naam 1] en appellante. Appellante heeft de onjuistheid daarvan niet met tegenbewijs aannemelijk gemaakt. Zij heeft geen stukken ingediend waaruit blijkt dat wel sprake was van een gezagsrelatie tussen haar en [naam 1] en zij heeft geen stukken ingediend waaruit blijkt dat zij werkzaamheden heeft verricht voor [naam werkgever] . Evenals de rechtbank heeft geoordeeld, heeft het Uwv voldoende aannemelijk gemaakt dat ten tijde hier van belang geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en dat appellante zodoende niet verzekerd was voor de WW en de ZW.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun als voorzitter en H.G. Rottier en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2018.

(getekend) B.M. van Dun

De griffier is verhinderd te ondertekenen

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

CVG