Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2458

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-08-2018
Datum publicatie
13-08-2018
Zaaknummer
17/2248 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opknappen en verkopen van fietsen niet gemeld. Het betreft geen incidentele verkoop die niet gemeld hoeft te worden. Intrekken en terugvorderen omdat recht niet is vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 2248 PW

Datum uitspraak: 7 augustus 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

10 maart 2017, 16/6827 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] en [appellante], beiden te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J. Ruijs, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2018. Appellanten hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. Ruijs, die een machtiging van de bewindvoerder van appellanten, P.J.M. Efting, heeft overgelegd om namens hem op te treden. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. van Golberdinge.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen sinds 14 mei 2014 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). Appellant ontvangt tevens een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme telefonische melding, inhoudende dat appellanten fietsen opknappen en verkopen, heeft een handhavingsspecialist van de afdeling Handhaving Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dit kader hebben appellanten bankafschriften overgelegd en op 3 juni 2016 een verklaring afgelegd. Appellant heeft verklaard dat hij van de beheerder van de nabijgelegen studentenflat fietsen krijgt en dat hij met die fietsen mag doen wat hij wil. Hij kijkt of hij de fietsen kan opknappen en als dat niet lukt dan haalt hij de fietsen uit elkaar voor de onderdelen. Als hij de fietsen wel kan opknappen verkoopt hij deze voor € 50,- of voor € 35,-. Tevens heeft appellant verklaard dat als hij een fiets langs de weg ziet staan zonder wiel, hij deze meeneemt en opknapt. De handhavingsspecialist heeft voorts gegevens met betrekking tot appellant op www.marktplaats.nl (Marktplaats) verzameld en een huisbezoek afgelegd op het woonadres van appellanten. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 9 juni 2016.

1.3.

Bij besluit van 16 juni 2016 heeft het college de bijstand van appellanten met ingang van 1 januari 2015 ingetrokken en bij besluit van 4 juli 2016 heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 mei 2016 van appellanten teruggevorderd. Het college heeft deze besluiten, na bezwaar daartegen, gehandhaafd bij besluit van 21 oktober 2016 (bestreden besluit). Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden door de werkzaamheden en inkomsten uit de reparatie en verkoop van fietsen niet aan het college te melden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet vastgesteld kan worden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij hebben ter zitting het hoger beroep beperkt tot de beroepsgrond dat zij de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden. Hiertoe hebben zij gesteld dat de onbeheerd achtergelaten fietsen die appellant heeft gekregen en meegenomen als privé-goederen zijn aan te merken en het incidenteel verkopen van privé-goederen volgens vaste rechtspraak van de Raad niet gemeld behoeft te worden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens de vaste rechtspraak (uitspraak van 15 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5987) waarop appellanten doelen is het voor ontvangers van bijstand niet verboden om goederen via internet te verkopen, mits daarvan en van daaruit verkregen verdiensten tijdig melding wordt gemaakt aan het bijstandverlenend orgaan. De opbrengst van incidentele verkoop van privégoederen, al dan niet via internet, wordt in het algemeen niet als inkomen aangemerkt, zodat daarvan in beginsel geen mededeling behoeft te worden gedaan.

4.2

Anders dan appellanten hebben aangevoerd hadden zij van de verkoop van fietsen wel mededeling moeten doen. Het volgende is in dit verband van betekenis.

4.2.1.

Vaststaat dat appellant, naast fietsherstelwerkzaamheden, ongeveer één tot twee keer per maand een fiets verkocht voor € 35,- tot € 50,-. Tevens staat vast dat hij om klanten te werven advertenties plaatste op Marktplaats. Gelet op de frequentie en het structurele karakter van deze activiteiten en het gebruik van Marktplaats hierbij kunnen deze niet worden aangemerkt als incidentele verkoop die in het kader van de bijstand niet gemeld behoeft te worden, zoals bedoeld in de hiervoor bedoelde rechtspraak.

4.2.2.

Gelet op het voorgaande behoeft de stelling van appellanten dat de door appellant gekregen of meegenomen fietsen moeten worden beschouwd als zijn privé-goederen waarvan de verkoop onder omstandigheden niet gemeld behoeft te worden geen bespreking.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2018.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) F. Dinleyici

sg