Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2451

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-08-2018
Datum publicatie
13-08-2018
Zaaknummer
17-7683 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Volgorde van aflossing. Niet blijkt dat appellant had aangegeven dat eerst op de terugvordering en niet op de boete moet worden afgelost.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/365
USZ 2018/277
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7683 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland van 25 oktober 2017

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland (college)

Datum uitspraak: 7 augustus 2018

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van 3 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3364, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland vernietigd en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat tegen het door het college nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Bij besluit van 25 oktober 2017 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard.

Namens appellant heeft mr. ing. M.J. Jansma, advocaat, beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en een nader stuk ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Jansma. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraak van 3 oktober 2017. Hij volstaat nu met het volgende.

1.2.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 3 oktober 2017 geoordeeld dat de onderzoeksbevindingen een toereikende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat appellant vanaf 7 september 2013 werkzaamheden in verband met prostitutie heeft verricht. Voor intrekking en terugvordering van de bijstand van appellant over de periode van

19 februari 2013 tot en met 6 september 2013 bestaat geen grondslag. Voor zover de boete ziet op die periode heeft het college de boete ten onrechte opgelegd. De Raad heeft vervolgens geoordeeld dat het college een nieuwe berekening moet maken van het terug te vorderen bedrag, de boete met inachtneming van de actuele financiële situatie van appellant opnieuw moet vaststellen en het college opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaar voor zover het de terugvordering en de boete betreft.

2. Het college heeft ter uitvoering van deze uitspraak het bestreden besluit genomen. Daarbij heeft het college de terugvordering over de periode van 7 september 2013 tot en met

31 december 2013 vastgesteld op een bedrag van € 4.303,09 bruto en de boete vastgesteld op € 1.672,30, zijnde 50% van het netto benadelingsbedrag.

3. Appellant heeft op de hierna te bespreken gronden beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Ingevolge artikel 4:92, tweede lid, van de Awb kan de schuldenaar indien hij verschillende geldschulden heeft bij dezelfde schuldeiser bij de betaling de geldschuld aanwijzen waaraan de betaling moet worden toegerekend.

4.1.2.

Appellant heeft aangevoerd dat hij tijdens een telefonisch onderhoud met het college op 21 april 2015 heeft meegedeeld dat de aflossing van € 75,- per maand moet worden toegerekend aan de aflossing van de terugvordering en dat deze mededeling moet worden aangemerkt als een aanwijzing in de zin van artikel 4:92, tweede lid, van de Awb.

4.1.3.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Anders dan appellant stelt, is niet gebleken dat hij een aanwijzing in de zin van artikel 4:92, tweede lid, van de Awb heeft gegeven aan het college. Uit de rapportage, behorende bij het bestreden besluit, blijkt weliswaar dat appellant op

21 april 2015 telefonisch aan het college heeft voorgesteld € 75,- per maand af te lossen maar niet dat appellant daarbij te kennen heeft gegeven dat de aflossing toegerekend moet worden aan de terugvordering. Op 22 april 2015 heeft het college aan appellant een brief gestuurd met daarin de bevestiging van de gemaakte afspraken. Uit deze brief volgt niet dat de gemaakte afspraken alleen zien op de aflossing van de terugvordering. Hoewel daarin is vermeld dat afgesproken is dat de ten onrechte ontvangen uitkering zal worden terugbetaald, heeft de afspraak tot terugbetaling volgens die brief betrekking op een bedrag van

€ 39.112,63. Dit bedrag betreft de gehele vordering inclusief de boete. Het had op de weg van appellant gelegen hierop expliciet kenbaar te maken dat de aflossing niet toegerekend mag worden aan de boete. Ook hiervan is niet gebleken.

4.2.

Appellant heeft ter zitting voorts aangevoerd dat de terugvordering op grond van

artikel 60, zevende lid, van de Participatiewet (PW) een preferente positie heeft ten opzichte van de boete. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Artikel 60, zevende lid, van de PW ziet op de preferente positie van de terugvordering ten opzichte van vorderingen van andere schuldeisers en regelt niet een preferente positie van de terugvordering ten opzichte van de boete.

4.3.

De beroepsgrond dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn actuele financiële omstandigheden, slaagt evenmin. Uit de gedingstukken is gebleken dat appellant de door het college opgelegde boete van € 1.672,30 ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geheel had voldaan. Dit betekent dat het college in de actuele financiële omstandigheden van appellant geen aanleiding behoefde te zien om de boete wegens de draagkracht van appellant te matigen. Op diezelfde grond bestaat voor de Raad geen aanleiding de boete op grond van de draagkracht te matigen. Zie ook de uitspraak van

11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:10. De opgelegde boete is evenredig.

4.4.

Appellant heeft tegen de terugvordering geen beroepsgronden aangevoerd waardoor deze geen nadere bespreking behoeft.

4.5.

Uit 4.1.1 tot en met 4.4 volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep tegen het besluit van 25 oktober 2017 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en Y.J. Klik en C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van F. Demiroǧlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2018.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) F. Demiroğlu

IJ