Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2448

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-08-2018
Datum publicatie
13-08-2018
Zaaknummer
16-7307 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:6556, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Er is onvoldoende grondslag voor het niet melden van een gezamenlijke huishouding. Afgelegde verklaringen moeten als verboden vruchten van de onrechtmatige, met videocamera verrichte waarneming buiten beschouwing blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2018/168
USZ 2018/264
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7307 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 oktober 2016, 16/662 en 16/855 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van het Werkplein Hart van West-Brabant (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 7 augustus 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.P.A. van Beers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingediend

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Beers. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.G.W.M.H. Vermeulen.

OVERWEGINGEN

1.1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2.

Appellante ontving vanaf 30 augustus 2012 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). Zij woont op het adres [adres] (uitkeringsadres).

1.3.

Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellante samen met een man op het uitkeringsadres woont, heeft een toezichthouder die werkzaam is bij de afdeling Toezicht en handhaving, team Fraudebestrijding en Bouwtoezicht van de directie dienstverlening van de gemeente Breda (toezichthouder) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de toezichthouder dossieronderzoek verricht en in de periode van 17 tot en met 24 augustus 2015 met behulp van een technisch hulpmiddel, een videocamera, waarnemingen verricht bij het uitkeringsadres. Voorts heeft de toezichthouder in de periode van 29 april 2015 tot en met 2 september 2015 een aantal waarnemingen verricht bij het uitkeringsadres, op 2 september 2015 gesproken met appellante en de heer [naam] ( [X] ) en een huisbezoek op het uitkeringsadres afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn vastgelegd in een rapport van 7 september 2015.

1.4.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

21 september 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 december 2015 (bestreden besluit), de bijstand van appellante in te trekken met ingang van 29 april 2015. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante en [X] vanaf laatstgenoemde datum een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd op het uitkeringsadres. Appellante heeft hiervan in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen melding gemaakt bij het college, waardoor haar ten onrechte bijstand is verleend.

1.5.

Aan appellante is nadien met ingang van 1 september 2015 weer bijstand naar de norm voor een alleenstaande toegekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. Gelet op 1.5 bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter hier de periode vanaf 29 april 2015, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot 1 september 2015.

4.2.

Niet langer is tussen partijen in geschil dat de waarnemingen die de toezichthouder heeft verricht met een technisch hulpmiddel wegens schending van de privacy buiten beschouwing moeten worden gelaten en niet aan het bestreden besluit ten grondslag hadden mogen worden gelegd.

4.2.1.

Het college heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat ook indien de resultaten van het cameraonderzoek buiten beschouwing worden gelaten de overige onderzoeksbevindingen, zoals opgenomen in het onder 1.3 bedoelde rapport van 7 september 2015, een toereikende feitelijke grondslag bieden voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding tussen appellante en [X] op het uitkeringsadres in de hier te beoordelen periode.

4.3.

Appellante heeft aangevoerd dat ook de door haar en [X] afgelegde verklaringen niet aan het bestreden besluit ten grondslag hadden mogen worden gelegd, omdat deze verklaringen een direct en rechtstreeks gevolg zijn van de onrechtmatige waarnemingen.

4.3.1.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 23 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4346) verzet geen rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel zich ertegen dat het bijstandverlenend orgaan na een onrechtmatig huisbezoek een nader onderzoek instelt naar de rechtmatigheid van verleende of nog te verlenen bijstand en de bevindingen van een dergelijk onderzoek bij de beoordeling van het recht op bijstand betrekt. Dat betekent dat de omstandigheid dat de waarnemingen onrechtmatig zijn in beginsel niet meebrengt dat de bevindingen uit een nader onderzoek niet mogen worden gebruikt bij de beoordeling van het recht op bijstand van degene jegens wie de waarnemingen onrechtmatig zijn. Dit is anders indien gezegd moet worden dat het bestuursorgaan in redelijkheid geen gebruik kon maken van de bevoegdheid tot het instellen van een nader onderzoek of van de daardoor verkregen onderzoeksresultaten, gelet op de wijze waarop dat in het concrete geval is gebeurd. Hiervan is met name sprake indien nader onderzoek uitsluitend een vervolg is op en onlosmakelijk verweven is met de onrechtmatige waarnemingen, zodat sprake is van “verboden vruchten”.

4.3.2.

Appellante heeft op 2 september 2015 om 10.05 uur een eerste verklaring afgelegd

(verklaring 1). Zij verklaart dat [X] tweemaal per week bij haar op het uitkeringsadres blijft slapen. Vervolgens heeft appellante op 2 september 2015 om 11.05 uur een tweede verklaring afgelegd (verklaring 2). Zij verklaart dan dat zij wil terugkomen op haar zojuist afgelegde verklaring over het verblijf van [X] op het uitkeringsadres. Zij geeft te kennen dat [X] elke nacht in haar woning overnacht, behalve natuurlijk als zij samen in het weekeinde weg zijn. Uit het verslag van verklaring 2 blijkt dat appellante binnen een uur terugkomt op verklaring 1 nadat zij is geconfronteerd met de bevindingen van het onderzoek. In het verslag van verklaring 2 staat niet vermeld welke vragen de toezichthouder aan appellante heeft gesteld en welke antwoorden zij daarop heeft gegeven. Het verslag bevat alleen een aaneengesloten weergave van de antwoorden van appellante. Hierdoor kan niet worden vastgesteld welke antwoorden van appellante alleen kunnen worden herleid tot de onrechtmatige waarnemingen en welke niet. Dit heeft tot gevolg dat verklaring 2 in haar geheel als verboden vrucht van de onrechtmatige waarnemingen buiten beschouwing moet worden gelaten. Hetzelfde geldt voor de verklaring van [X] . Uit het verslag van deze verklaring blijkt dat [X] zijn verklaring heeft afgelegd nadat hij is ingelicht over het onderzoek. Ook uit dit verslag, dat op dezelfde wijze is opgemaakt als het verslag van verklaring 2 van appellante, volgt niet of [X] is ingelicht over de onrechtmatige waarnemingen, welke vragen aan [X] zijn gesteld en ook niet welke antwoorden alleen kunnen worden herleid tot de onrechtmatige waarnemingen.

4.4.

Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft het college ter zitting het standpunt ingenomen dat indien de Raad van oordeel is dat verklaring 2 van appellante en de verklaring van [X] niet aan het bestreden besluit ten grondslag mogen worden gelegd, de overige onderzoeksbevindingen onvoldoende grondslag bieden voor de conclusie van het college dat in de te beoordelen periode sprake was wederzijdse zorg tussen appellante en [X] .

4.5.

Uit 4.3.2 en 4.4 volgt dat niet wordt voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg. Dit betekent dat onvoldoende grond bestaat voor het oordeel dat gedurende de te beoordelen periode sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding tussen appellante en [X] . De vraag of over die periode sprake was van het hoofdverblijf van [X] in de woning van appellante op het uitkeringsadres als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de PW behoeft, gezien even vermeld oordeel, geen bespreking meer.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat het bestreden besluit op een ondeugdelijke feitelijke grondslag berust. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking. Het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover aangevochten. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep gegrond worden verklaard en het bestreden besluit worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Tevens wordt aanleiding gezien het besluit van 21 september 2015 te herroepen. Dit besluit berust op dezelfde onhoudbaar gebleken grondslag als het bestreden besluit en niet aannemelijk is dat het aan het besluit van 21 september 2015 klevende gebrek nog kan worden hersteld.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van bezwaar tot een bedrag van

€ 1.002,- voor verleende rechtsbijstand. Tevens bestaat aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in beroep en

€ 1.002,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. De kostenveroordeling bedraagt in totaal € 3.006,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 22 december 2015;

- herroept het besluit van 21 september 2015 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt
van het besluit van 22 december 2015;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 3.006,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht
van in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en Y.J. Klik en C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van F. Demiroǧlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2018.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) F. Demiroğlu

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

IJ