Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2438

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-08-2018
Datum publicatie
09-08-2018
Zaaknummer
18/1357 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag voor opleiding om ondernemersvaardigheden te vergroten terecht afgewezen, omdat de scholing de kans op een baan niet vergroot.

Arbeidsmarktrelevantie van opleidingen die appellante wilde volgen. Het Uwv heeft in redelijkheid kunnen concluderen dat appellante niet inzichtelijk heeft gemaakt dat zij met een certificaat of diploma van de opleidingen een reële kans heeft om als zelfstandige in haar levensonderhoud te voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2018-0072
SZR-Updates.nl 2018-0076
SZR-Updates.nl 2018-0085
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1357 WW

Datum uitspraak: 8 augustus 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 oktober 2016, 16/3849 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.R. van der Horst hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2018. Voor appellante is
mr. Van der Horst verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft vanaf 1 februari 2016 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangen.

1.2.

Op 5 februari 2016 heeft appellante een scholingsvoucher (ook wel: subsidie) op grond van de Regeling subsidie scholing en plaatsing oudere werklozen (Regeling) aangevraagd. Op de aanvraag heeft zij vermeld dat zij haar ondernemersvaardigheden wil vergroten door drie opleidingstrajecten bij STOA Startersadvies (STOA) te volgen. De kosten daarvan bedragen in totaal € 1.179,75.

1.3.

Bij besluit van 10 maart 2016 heeft het Uwv de aanvraag van appellante afgewezen, omdat de scholing de kans op een baan niet vergroot.

1.4.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 10 maart 2016. Bij beslissing op bezwaar van 27 mei 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan ligt ten grondslag dat voor toewijzing van subsidie in het geval van appellante alleen aanleiding bestaat als de scholing naar het oordeel van het Uwv noodzakelijk is. Omdat er in het geval van appellante geen sprake is van een baangarantie, staat de arbeidsmarktrelevantie van de opleidingen die appellante wil gaan volgen niet vast. Volgens het Uwv heeft appellante niet aangetoond dat de scholing arbeidsmarktrelevant is. De scholing die appellante wil volgen is niet strikt noodzakelijk voor haar re-integratie. De opleidingen zijn met name gericht op het zelfstandig ondernemerschap, maar voor het vervullen van de functies waarvoor appellante in aanmerking wenst te komen, zijn deze niet vereist.

2. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv in bezwaar de weigering tot het verstrekken van de scholingsvoucher had moeten toetsen aan de Beleidsregels Scholing 2016. De rechtbank is van oordeel dat appellante niet in aanmerking komt voor de gevraagde scholing. Vaststaat dat aan de scholing geen baangarantie is verbonden. De banen die appellante ambieert zijn geen kansberoepen. Appellante heeft dit niet weersproken. Uit het dossier blijkt verder dat appellante nog geen beslissing heeft genomen over de vraag of zij als zelfstandige wil gaan werken of in loondienst. Ook ter zitting heeft appellante verklaard dat zij daar nog niet uit is. Het Uwv heeft daarentegen aangetoond dat het mogelijk is de beroepen die appellante ambieert in loondienst te vervullen. De rechtbank is dan ook met het Uwv van oordeel dat de door appellante gewenste scholing, die ziet op het verbeteren van vaardigheden ten behoeve van ondernemerschap, niet noodzakelijk is. Voor het verrichten van deze beroepen in loondienst heeft appellante de scholing immers niet nodig. Dit betekent dat ook toetsing aan de Beleidsregels Scholing 2016 voor appellante niet tot een gunstige beslissing kan leiden. Het feit dat het Uwv in het bestreden besluit aan de oude beleidsregels heeft getoetst, heeft geen benadeling van appellante opgeleverd. De rechtbank heeft aanleiding gezien dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren. Voor zover appellante met de stelling dat bij het STOA 30 vouchers voor opleidingen zijn toegekend en dat zij de enige is aan wie een voucher is geweigerd, een beroep heeft willen doen op het gelijkheidsbeginsel, heeft de rechtbank appellante daarin niet gevolgd. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellante dit pas ter zitting heeft aangevoerd zonder stukken ter onderbouwing van deze stelling te overleggen.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij wel voldoet aan de voorwaarden, zoals opgenomen in de Beleidsregels Scholing 2016. Volgens haar is artikel 3, onder c, van de Beleidsregels Scholing 2016 specifieker en gunstiger opgesteld voor degene die zelfstandig ondernemer wil worden. Zij heeft benadrukt dat zowel in de Regeling als in de Beleidsregels Scholing 2016 niet de voorwaarde is opgenomen dat een oudere werkloze zeker moet weten dat hij een bepaald beroep wil gaan beoefenen of zeker weet dat hij als zelfstandige aan het werk gaat. Uit het doel van de Regeling blijkt juist dat de scholing de kans op een baan moet vergroten. Volgens appellante vergroot de scholing haar kans om aan werk te komen aanzienlijk, omdat zij de beroepen nu ook als zelfstandige kan beoefenen. Volgens appellante heeft de rechtbank geen toepassing mogen geven aan artikel 6:22 van de Awb, omdat zij wel benadeeld is door het gebrek. Bovendien had de rechtbank volgens haar proceskosten en griffierecht moeten vergoeden. Tot slot heeft appellante toegelicht dat de heer [naam] ( [X] ) onder dezelfde omstandigheden wel een scholingsvoucher is toegewezen en heeft het Uwv verzocht dit te onderzoeken. In reactie op het verweerschrift van het Uwv heeft appellante naar voren gebracht dat zij per 1 december 2016 toestemming heeft gekregen voor een onderzoeksperiode om als zelfstandige aan het werk te gaan en zij op 1 januari 2017 ook daadwerkelijk is gestart als zelfstandige.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. De opleidingstrajecten ‘Maak je eigen website, administratie/bedrijfsorganisatie, en ‘Ondernemingsplan’ zijn gericht op het zelfstandig ondernemerschap en appellante heeft destijds verklaard dat zij nog geen beslissing heeft genomen over de vraag of zij als zelfstandige wil gaan werken. Bovendien heeft appellante de werkzaamheden waarop zij zich wil richten, te weten acquisitie, relatiebeheer en business development, in het verleden verricht. Voor het verrichten van deze werkzaamheden is de gewenste scholing niet noodzakelijk. Nu niet is voldaan aan één van de voorwaarden, te weten baangarantie, opleiding tot kansberoep of noodzakelijke scholing, is de scholingsvoucher volgens het Uwv op goede gronden afgewezen. Het Uwv heeft benadrukt dat ook de Beleidsregels Scholing 2016 vereisen dat een betrokkene inzichtelijk maakt op welke wijze hij na de scholing als zelfstandig ondernemer in zijn onderhoud kan voorzien. Gelet op het feit dat appellante destijds heeft verklaard dat zij niet weet of zij als zelfstandige wil werken, is zij daarin niet geslaagd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt volgens het Uwv niet omdat [X] met een duidelijk plan inmiddels als zelfstandige werkzaam is en gebruik heeft gemaakt van een startersperiode.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Regeling, zoals die luidde ten tijde hier in geding, kwam voor subsidie voor scholing, gestart op of na de dag van inwerkingtreding van deze regeling, en die maximaal één jaar duurt, in aanmerking de oudere werkloze die:

a. een verklaring van de werkgever heeft waarin wordt vermeld dat de werkgever de intentie heeft om de oudere werkloze, uiterlijk op de eerste dag van de kalendermaand volgend op de kalendermaand waarin de scholing is afgerond, voor tenminste drie maanden, en gemiddeld voor de helft van het aantal uren waarop de uitkering, op grond van hoofdstuk II van de Werkloosheidswet, is vastgesteld, doch niet minder dan gemiddeld 12 uren per week, in dienst te nemen; of

b. een scholing gaat volgen die opleidt naar een kansberoep.

Daarnaast kon op grond van artikel 3, tweede lid, van de Regeling voor subsidie voor scholing, gestart op of na de dag van inwerkingtreding van deze regeling, op aanvraag in aanmerking komen, de oudere werkloze, indien:

a. de scholing naar het oordeel van het UWV noodzakelijk is;

b. zonder scholing vrijwel geen uitzicht bestaat op het op korte termijn kunnen aanvaarden van een dienstbetrekking; en

c. de scholing maximaal één jaar duurt.

In de Beleidsregels Scholing 2016 is het volgende bepaald:

Artikel 2. Noodzaak scholing

Uitkeringsgerechtigden kunnen uitsluitend met instemming van UWV een scholing volgen als er een noodzaak tot het volgen van de scholing bestaat. De noodzaak tot het volgen van een scholing wordt beoordeeld aan de hand van deze Beleidsregel Scholing 2016. Er is sprake van een noodzaak tot het volgen van scholing als aan alle navolgende vereisten is voldaan:

a. de scholing is arbeidsmarktrelevant én

b. de duur van de scholing overschrijdt niet het daarvoor in artikel 4 gestelde maximum én

c. de uitkeringsgerechtigde is schoolbaar.

Artikel 3. Arbeidsmarktrelevantie

Een scholing is arbeidsmarktrelevant als bedoeld in artikel 2, sub a, als aan één van de navolgende vereisten is voldaan:

a. Er is sprake van een baanintentie of baangarantie (…).
b. De uitkeringsgerechtigde kan na het volgen van de scholing een door UWV vastgesteld kansberoep vervullen.

c. De uitkeringsgerechtigde maakt naar genoegen van UWV inzichtelijk dat hij met een certificaat of diploma van de scholing een reële kans heeft op werk in dienstbetrekking of om als zelfstandig ondernemer in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. De uitkeringsgerechtigde maakt hiervoor inzichtelijk tot welk (zelfstandig) beroep of functie de scholing opleidt. Wil de uitkeringsgerechtigde in een dienstbetrekking gaan werken, dan geeft hij inzicht in de vacatures die hij na het afronden van zijn scholing kan vervullen. Wil de uitkeringsgerechtigde als zelfstandig ondernemer gaan werken dan maakt de uitkeringsgerechtigde inzichtelijk op welke wijze hij na het volgen van de scholing als zelfstandig ondernemer in zijn onderhoud kan voorzien.

4.2.

Tussen partijen is in geschil of de opleidingen die appellante wilde volgen arbeidsmarktrelevant is. Nu appellante geen baangarantie is geboden en evenmin sprake is van een scholing die opleidt tot een kansberoep en de door appellante gewenste scholing was gericht op het werken als zelfstandige, was het aan appellante om inzichtelijk te maken op welke wijze zij na het volgen van de scholing als zelfstandig ondernemer in haar onderhoud zou kunnen voorzien. Volgens haar zou de gewenste scholing gelet op haar voorkeursfuncties de werkkansen vergroten op de arbeidsmarkt. Zij heeft daartoe onder meer naar voren gebracht dat het toonbaar maken van de gevolgde scholing op haar curriculum vitae zinvol is en dat dit mede de aandacht heeft van potentiële werkgevers. Met de enkele stelling dat appellante met de door haar gewenste scholing haar kansen om aan het werk te komen aanzienlijk vergroot omdat zij de beroepen nu ook als zelfstandige kan voeren, heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij na het volgen van de scholing als zelfstandig ondernemer in haar onderhoud zou kunnen voorzien. Dit geldt temeer nu appellante op 29 februari 2016, dus na het aanvragen van een scholingsvoucher, nog kenbaar heeft gemaakt niet te weten of zij daadwerkelijk als zelfstandige wil werken. Deze informatie maakt dat het Uwv in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat appellante niet inzichtelijk heeft gemaakt dat zij met een certificaat of diploma van de opleidingen een reële kans heeft om als zelfstandige in haar levensonderhoud te voorzien. De omstandigheid dat zij in december 2016 alsnog is gestart als zelfstandige, doet daaraan niet af.

4.3.

Appellante heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel er slechts op gewezen dat zij van het opleidingsinstituut STOA te horen heeft gekregen dat er circa 30 cursisten zijn geweest waarbij de scholingsvoucher wel is toegekend en dat alleen de scholingsvoucher van appellante is afgewezen. Het is appellante slechts gelukt om de naam van een van de deelnemers, [X] , te achterhalen. Het Uwv heeft onbetwist gesteld dat de situatie van [X] verschilde van die van appellante, omdat hem ten tijde van de toekenning van een scholingsvoucher al wel een starterperiode was toegekend en ook daadwerkelijk als zelfstandige was begonnen. Van gelijke gevallen was dus geen sprake. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel is dan ook niet gebleken.

4.4.

De rechtbank heeft het gebrek in het besluit van 27 mei 2016, te weten het hanteren van het onjuiste toetsingskader, met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd, omdat appellante door dat gebrek niet is benadeeld. Appellante heeft haar standpunt dat zij door het gebrek wel is benadeeld onderbouwd met de stelling dat toepassing van de Beleidsregels Scholing 2016 ertoe zou leiden dat zij wel voor subsidie in aanmerking zou komen. Dit standpunt berust, zoals ook blijkt uit 4.2, op een onjuiste uitleg van deze Beleidsregels. Ook overigens is niet gebleken dat belanghebbenden door het gebrek dat aan het besluit van 27 mei 2016 kleeft, zijn benadeeld. De rechtbank heeft echter ten onrechte het Uwv, gelet op het door haar geconstateerde gebrek, niet veroordeeld in de proceskosten in beroep en had moeten bepalen dat het Uwv het betaalde griffierecht diende te vergoeden. Het hoger beroep slaagt in zoverre.

4.5.

Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden bepaald op € 2.004,- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

4.6.

Voor vergoeding van griffierecht in hoger beroep bestaat geen aanleiding, omdat van appellante in hoger beroep geen griffierecht is geheven.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank heeft nagelaten het Uwv te veroordelen in de proceskosten en te bepalen dat het Uwv het griffierecht moet vergoeden;

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 2.004,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het door haar betaalde griffierecht van in totaal € 46,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2018.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) B. Dogan

OS