Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2410

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
13-08-2018
Zaaknummer
17/2020 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:1557, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijstand terecht ingetrokken en teruggevorderd in verband met stortingen op de bankrekening. Herkomst stortingen is niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 2020 PW

Datum uitspraak: 24 juli 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

1 maart 2017, 16/5404 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.C.J.L. Huurman-Ip Vai Ching, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Huurman-Ip Vai Ching. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Yaman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 9 juli 2011 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

In het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan hem verleende bijstand heeft het college bankafschriften bij appellant opgevraagd en hem verzocht om een ‘verklaring over de stortingen/overschrijvingen’ in te vullen. Uit deze stukken blijkt dat appellant in de periode van 1 januari 2015 tot 17 februari 2016 twaalf contante stortingen op zijn bankrekening heeft ontvangen variërend van € 50,- tot € 2.800,-. Tijdens een gesprek over deze stortingen heeft appellant verklaard dat hij gokproblemen had en dat de gestorte bedragen leningen betreffen die nodig waren om achterstallige rekeningen te betalen. De onderzoeksresultaten zijn neergelegd in een rapport van 1 maart 2016.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

8 maart 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 juli 2016 (bestreden besluit), de bijstand van appellant met ingang van 1 januari 2015 in te trekken en de over de periode van

1 januari 2015 tot en met 29 februari 2016 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van

€ 16.215,06 van appellant terug te vorderen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant, door geen melding te maken van de stortingen op zijn rekening, de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Omdat appellant geen inzicht heeft verschaft in de herkomst en het doel van de gestorte bedragen, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 januari 2015 tot en met 8 maart 2016

(te beoordelen periode).

4.2.

Niet in geschil is dat in de te beoordelen periode twaalf stortingen hebben plaatsgevonden op de bankrekening van appellant variërend van € 50,- tot € 2.800,-, tot een totaalbedrag van € 14.400,-. Evenmin is in geschil dat appellant hiervan geen melding heeft gemaakt bij het college.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Hij heeft bij zijn klantmanager gemeld dat hij financiële problemen had en daarom geld moest lenen bij familieleden. Dit blijkt uit de door hem overgelegde verklaringen. In ieder geval is het recht op bijstand wel vast te stellen volgens appellant.

4.4.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, eerste volzin, van de PW doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

4.5.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450) worden kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW. De stelling dat sprake is van geleende bedragen die moeten worden terugbetaald, leidt niet tot een ander oordeel. Allereerst is een geldlening in artikel 31, tweede lid, van de PW niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Voorts worden periodieke betalingen van derden, waaronder familieleden, aan bijstandontvangers - ongeacht in welke vorm deze worden verstrekt en waarover vrijelijk kan worden beschikt - naar vaste rechtspraak als inkomen van de bijstandontvanger aangemerkt (uitspraken van 22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138, en van

23 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1106). Het betoog van appellant dat de stortingen niet maandelijks hebben plaatsgevonden en daarom geen periodieke betalingen zijn, slaagt niet. Gelet op de omvang en het terugkerend karakter van de stortingen op de bankrekening van appellant moeten deze worden aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid,

van de PW.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat de gestorte bedragen van belang zijn voor het recht op bijstand. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk kunnen dat deze bedragen gemeld moesten worden. Nu appellant van de ontvangst van de bedragen niet direct en uit eigen beweging melding heeft gemaakt bij het college, heeft hij, anders dan hij heeft betoogd, de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Voor het betoog van appellant dat hij het college op de hoogte heeft gebracht van zijn financiële problemen en dat hij daarom geld moest lenen, bieden de gedingstukken geen aanknopingspunten. Het college heeft ter zitting toegelicht dat als appellant melding zou hebben gemaakt van het feit dat hij wegens betalingsachterstanden geld zou lenen, dit zou zijn geregistreerd. In het ‘overzicht contacten’ van 15 februari 2016 wordt hiervan geen melding gemaakt.

4.7.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de desbetreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.7.1.

Anders dan appellant heeft betoogd, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij recht had op (aanvullende) bijstand. Daargelaten nog dat appellant in de loop van de tijd daarover wisselend heeft verklaard, heeft hij niet door middel van een deugdelijke administratie de herkomst en de omvang van de door hem contant ontvangen bedragen inzichtelijk gemaakt. De bij het bezwaarschrift overgelegde verklaringen van familieleden over de leningen zijn achteraf opgesteld en zijn onvoldoende concreet. Daaruit blijkt niet wanneer appellant welke contante bedragen heeft ontvangen en wanneer deze moeten worden terugbetaald. Bovendien komen de in die verklaringen genoemde periodes waarin de bedragen zouden zijn geleend, niet overeen met de uit het in 1.2 genoemde onderzoek gebleken stortingen. Gelet op de onduidelijkheid die is blijven bestaan over de kasstortingen en over de gestelde leningen, is niet alleen de herkomst van de stortingen maar ook de algehele financiële situatie van appellant onduidelijk gebleven.

4.8.

Het beroep van appellant op dringende redenen om van terugvordering af te zien, slaagt niet. Dringende redenen om van terugvordering af te zien kunnen naar vaste rechtspraak (uitspraak van 15 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:952) slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering van een betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt.

Degene die zich beroept op dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, zal het bestaan van de gestelde dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin aannemelijk moeten maken. Hierin is appellant niet geslaagd. Appellant heeft aangevoerd dat hij psychische problemen heeft en dat zijn financiële situatie door de terugvordering zorgelijk is. Dit betekent echter nog niet dat sprake is van onaanvaardbare financiële gevolgen. In het kader van de invordering heeft appellant als schuldenaar bescherming, of kan hij deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2018.

(getekend) A.M. Overbeeke

(getekend) S.A. de Graaff

sg