Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2407

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
13-08-2018
Zaaknummer
17/1931 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:722, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum bijstand. Niet is binnen 7 dagen na afwijzing de WW-aanvraag gemeld. Geen bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1931 PW

Datum uitspraak: 24 juli 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 februari 2017, 16/5293 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te Afghanistan (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N.M. Fakiri, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2018. Namens appellant is verschenen mr. Fakiri. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.A. de Vreij en N.B.M. Fels.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 11 november 2015 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij besluit van 15 december 2015 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) deze aanvraag afgewezen. Op 28 december 2015 heeft appellant zich gemeld bij het Uwv om bijstand op grond van de Participatiewet (PW) aan te vragen. Op 20 januari 2016 heeft appellant de aanvraag ingediend.

1.2.

Bij besluit van 22 februari 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 juli 2016 (bestreden besluit), heeft het college appellant met ingang van 28 december 2015 bijstand toegekend. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat een belanghebbende op grond van gemeentelijk beleid in beginsel bijstand wordt toegekend met ingang van de datum van de WW-aanvraag indien hij zich binnen zeven dagen na afwijzing van de WW-aanvraag heeft gemeld. Bij een latere melding wordt de bijstand toegekend vanaf de datum van die melding, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden die de latere melding rechtvaardigen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant zich niet binnen zeven dagen heeft gemeld en dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die deze latere melding rechtvaardigen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat de bijstand met ingang van 11 november 2015, de datum van de WW‑aanvraag, had moeten worden toegekend omdat hem niet kan worden verweten dat hij zich na de afwijzing van de WW-aanvraag pas op 28 december 2015 heeft gemeld. Hij is op 22 december 2015 bij de Formulieren Brigade geweest. Deze instantie is, anders dan de rechtbank heeft overwogen, een onderdeel van de gemeente Vlaardingen en het handelen van deze instantie is aan het college toe te rekenen. Volgens appellant heeft de Formulieren Brigade op 22 december 2015 verzuimd om onmiddellijk een digitale melding aan te maken en hem ten onrechte doorverwezen naar het Uwv. Daar kon hij pas terecht om zich te melden nadat hij telefonisch een afspraak had gemaakt. Dit zijn bijzondere omstandigheden die de latere melding rechtvaardigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak inzake toepassing van artikel 43 en 44 van de Wet Werk en Bijstand (WWB) (uitspraak van 21 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV8690), welke rechtspraak onder de PW zijn gelding heeft behouden, bestaat in beginsel geen recht op bijstand over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Van zulke omstandigheden kan sprake zijn als de betrokkene zich na afwijzing van een aanvraag om een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 van

de PW zo spoedig mogelijk meldt om bijstand aan te vragen.

4.2.

Niet in geschil is dat appellant zich op 28 december 2015 heeft gemeld als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de PW en dat dit niet met zo spoedig mogelijk na afwijzing van de WW-aanvraag heeft plaatsgevonden. In geschil is of sprake is van bijzondere omstandigheden die een latere melding rechtvaardigen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat daarvan in het geval van appellant geen sprake is. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.2.1.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Formulieren Brigade op

22 december 2015 onjuiste informatie heeft verstrekt op grond waarvan appellant is afgehouden van het doen van een tijdige melding. Hierbij is van belang dat het college ter zitting heeft toegelicht dat de mogelijkheid van een digitale melding niet bestaat binnen de gemeente Vlaardingen. Een belanghebbende dient zich zelf te melden bij het Uwv, waarna er een aanvraagformulier wordt meegegeven. Dat de Formulieren Brigade, daargelaten of deze instantie als een onderdeel van de gemeente Vlaardingen kan worden aangemerkt en het handelen van deze instantie kan worden toegerekend aan het college, appellant blijkens de overgelegde screenprints op 22 december 2015 heeft doorverwezen naar het Uwv voor het verkrijgen van “WWB-formulieren” is dan ook juist geweest. De stelling van appellant dat hij de melding pas op 28 december 2015 kon doen bij het Uwv omdat hij eerst telefonisch een afspraak moest maken, strookt evenmin met de toelichting van het college ter zitting dat een betrokkene zich zelf moet melden bij het Uwv met een legitimatiebewijs en dat er geen telefonische afspraak gemaakt kan worden. Het was dus de verantwoordelijkheid van appellant zelf om zich zo spoedig mogelijk te melden bij het Uwv nadat hij bij de Formulieren Brigade was geweest.

4.2.2.

De Raad ziet geen aanleiding om, zoals appellant ter zitting heeft verzocht, de zaak aan te houden en hem in de gelegenheid te stellen te bewijzen dat hij een afspraak moest maken bij het Uwv om de vereiste melding te doen. Appellant heeft deze stelling reeds in beroep ingenomen en de rechtbank is daar in de aangevallen uitspraak op ingegaan. Appellant is dan ook ruimschoots in de gelegenheid geweest om ter zake aanvullende stukken in het geding te brengen.

4.3.

Uit 4.1 tot en met 4.2.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2018.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) J. Smolders

sg