Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2403

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-07-2018
Datum publicatie
13-08-2018
Zaaknummer
16/7450 PW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De hoger beroepsgronden betreffen een herhaling van de beroepsgronden. Er is niet aangevoerd waarom de aangevallen uitspraak niet juist is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7450 PW-PV, 16/7451 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 4 november 2016, 15/5594 en 15/5596 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Purmerend (college)

Datum uitspraak: 17 juli 2018

Zitting hebben: A.M. Overbeeke als voorzitter en J.N.A. Bootsma en E.C.G. Okhuizen als leden

Griffier: J. Tuit

Ter zitting zijn appellanten, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Dekker-Koenders en M. Smeedes.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1. De sociale recherche heeft een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verstrekte bijstand. Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 1 juli 2015 de bijstand van appellanten met ingang van 19 juni 2009 ingetrokken en de over de periode van 19 juni 2009 tot en met 28 februari 2015 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 118.734,99 van appellanten teruggevorderd.

Bij besluit van 9 juli 2015 heeft het college de aanvraag van appellanten om een individuele inkomenstoeslag afgewezen.

1.1.

Bij besluit van 10 november 2015 (bestreden besluit 1) heeft het college de bezwaren tegen het besluit van 1 juli 2015 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen. Er is sprake van onder meer stortingen op niet gemelde (creditcard)rekeningen en van financiële verstrengeling met een [stichting] die gevestigd is op het adres van appellanten. Appellanten, die in de periode in geding jaarlijks de beschikking hadden over zo’n € 40.000,- à € 50.000,-, hebben geen toereikende verklaring gegeven voor de discrepantie tussen het uitgavenpatroon en de inkomsten. Bij besluit van eveneens 10 november 2015 (bestreden besluit 2) heeft het college de bezwaren tegen het besluit van 9 juli 2015 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante niet voldoet aan het criterium ‘geen zicht op inkomensverbetering’.

2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft geoordeeld dat de onderzoeksresultaten een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat het inkomsten- en uitgavenpatroon van appellanten niet overeenkomen met de aan appellanten verstrekte bijstand, dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden doordat zij diverse voor de vaststelling van het recht op bijstand van belang zijnde gegevens niet hebben verstrekt en dat als gevolg hiervan het recht op bijstand over de gehele periode niet kan worden vastgesteld. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat, als destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan, over de periode in geding recht op (aanvullende) bijstand zou hebben bestaan. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat appellanten niet voldoen aan het voor het recht op de individuele inkomenstoeslag geldend criterium dat er geen zicht op inkomensverbetering bestaat, omdat appellante werkzaamheden in loondienst heeft verricht.

3. De te beoordelen periode loopt van 19 juni 2009 tot en met 1 juli 2015.

4. Appellanten hebben in hoger beroep aangevoerd dat het recht op bijstand wel is vast te stellen en dat er wel wordt voldaan aan het criterium ‘geen zicht op inkomensverbetering’. Deze hoger beroepsgronden, die verder niet zijn toegelicht, vormen een beknopte herhaling van de gronden die appellanten in eerste aanleg hebben aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak deze gronden besproken en is tot het oordeel gekomen dat deze niet kunnen slagen. Appellanten hebben niet uiteengezet waarom zij de overwegingen van de rechtbank niet juist achten. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de overwegingen van de rechtbank waarop dat oordeel rust.

5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(get.) J. Tuit (get.) A.M. Overbeeke

Voor eensluidend afschrift

de griffier van de

Centrale Raad van Beroep

sg