Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2402

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-08-2018
Datum publicatie
13-08-2018
Zaaknummer
16/6008 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van de Svb dat appellant over een woning in Marokko bezit. Voor wat betreft de intrekking en terugvordering zal de Svb opnieuw kunnen beslissen op het bezwaar. De boete dient te worden vernietigd en herroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2018/269
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6008 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

9 augustus 2016, 15/7324 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 7 augustus 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Ben-Saddek, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2018. Namens appellant is verschenen mr. Ben-Saddek. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 1 juli 2012 in aanvulling op zijn ouderdomspensioen van de Svb bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO-aanvulling). Op het formulier waarmee appellant destijds de AIO‑aanvulling heeft aangevraagd, heeft hij vermeld geen woning, stuk grond of ander onroerend goed in Nederland of het buitenland te bezitten.

1.2.

Bij brieven van 12 juni 2014 en 5 augustus 2014 heeft de Svb appellant verzocht gegevens te verstrekken over zijn verblijf buiten Nederland. Bij besluit van 8 september 2014 heeft de Svb het recht op AIO-aanvulling van appellant opgeschort met ingang van

8 september 2014 omdat hij de gevraagde gegevens niet had verstrekt. De Svb heeft appellant tot 6 oktober 2014 de gelegenheid gegeven de gevraagde gegevens alsnog te verstrekken. Bij besluit van 9 oktober 2014 heeft de Svb de AIO-aanvulling van appellant ingetrokken met ingang van 8 september 2014 omdat appellant geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek om informatie te verstrekken. Hierdoor kon de Svb het recht op AIO-aanvulling niet vaststellen. Tegen deze besluiten is geen bezwaar gemaakt.

1.3.

Een medewerker van de afdeling Bijzonder Onderzoek van de Svb heeft op 21 januari 2015 een onderzoek ingesteld naar het recht op AIO-aanvulling van appellant. In het kader van dat onderzoek is aan de Attaché voor Sociale Zaken van de Nederlandse ambassade te Rabat (Attaché) verzocht onderzoek te doen naar onroerend goed van appellant in Marokko. De Attaché heeft de bevindingen van zijn onderzoek neergelegd in een rapport van 18 maart 2015. Deze bevindingen houden in dat appellant in Marokko ruim tien jaar een woning bezit op het adres [adres] (de woning). De woning, die niet is geregistreerd bij het kadaster, is op 19 februari 2015 door een beëdigd taxateur getaxeerd op ongeveer 954.00 Dirham (omgerekend ongeveer € 89.160,-).

1.4.

De onderzoeksbevindingen van de Attaché zijn voor de Svb aanleiding geweest om bij besluiten van 16 april 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 oktober 2015 (bestreden besluit), de AIO-aanvulling in te trekken over de periode van 1 juli 2012 tot en met 30 september 2014 (lees: 8 september 2014), de ten onrechte uitbetaalde AIO-aanvulling tot een bedrag van € 6.813,87 van appellant terug te vorderen en hem een boete op te leggen van € 3.410,-.

1.5.

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door het bezit van de woning niet te melden. De waarde van de woning bedroeg op 19 februari 2015 meer dan de op die datum geldende vrij te laten vermogensgrens. Omdat het niet mogelijk is de waarde van de woning met terugwerkende kracht te bepalen kan het recht op AIO-aanvulling over de periode van 1 juli 2012 tot en met 8 september 2014 niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking en terugvordering

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 juli 2012 tot 8 september 2014.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand, in dit geval een AIO-aanvulling, is een voor betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dit betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Appellant voert, in de kern weergegeven, aan dat er onvoldoende feitelijke grondslag is voor het standpunt van de Svb dat hij eigenaar is van de woning. Appellant betoogt in dit verband dat het rapport van de Attaché onzorgvuldig is omdat de persoonsgegevens van de Cheikh, met wie de medewerkers van de Attaché hebben gesproken, niet aan hem bekend zijn gemaakt. Appellant is hierdoor niet in staat de belastende verklaring van de Cheikh te toetsen. Appellant verzoekt de Raad om hem in de gelegenheid te stellen schriftelijk vragen aan de Cheikh te stellen.

4.4.

Gelet op 4.2. is het aan de Svb om aannemelijk te maken dat appellant eigenaar is van de woning.

4.5.

De Svb heeft het rapport van de Attaché aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd. In het rapport is het volgende opgenomen:

“Een Cheikh trad op de voorgrond en gaf aan betrokkene te kennen. Desgevraagd verklaarde hij: “(Appellant) is een bekende. Hij bezit een woning op het adres [adres] . U vraagt mij hoe lang hij eigenaar is van deze woning? Ik denk nu ongeveer zo’n 10 jaar. Ondanks het feit dat het hier om een nieuwe woning gaat, staat het niet geregistreerd bij het kadaster. In deze regio staat bijna niets geregistreerd, omdat we ons in een berggebied bevinden.” […] Op de vraag waarop de Cheikh zijn informatie baseerde vertelde hij dat dit tot zijn taak behoort. Hij is aangesteld om informatie te vergaren over de inwoners van zijn wijk. Dit heeft als reden dat alvorens er diverse officiële verklaringen worden afgegeven […] er door de cheikh/moquaddem een onderzoek uitgevoerd moet worden naar de feitelijke situatie. […]. Samen met de Cheikh besloten wij het adres [adres]

te bezoeken. Aldaar aangekomen wees hij een huis aan dat volgens hem van betrokkene zou zijn. In de buurt van de woning stond een witte Volkswagen Caddy geparkeerd. Aan de hand van de witte kentekenplaat […] hebben wij kunnen opmaken dat de auto vanuit Nederland is geëxporteerd. Onderzoek op de site www.rdw.nl heeft dit bevestigd. Omdat wij via deze site niet kunnen achterhalen op wiens naam de auto staat, willen wij u vragen dit bij de Belastingdienst na te gaan. Wij hebben namelijk het vermoeden dat betrokkene eigenaar is van deze auto.”

4.6.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de onderzoeksbevindingen geen toereikende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van de Svb dat de woning in de te beoordelen periode eigendom is van appellant. Daarbij is van belang dat uit het rapport van de Attaché blijkt dat de Cheikh zijn wetenschap dat appellant ongeveer tien jaar eigenaar is van de woning niet op concrete feiten en omstandigheden heeft gebaseerd. De enkele verklaring van de Cheikh dat appellant bij hem bekend is, is daartoe onvoldoende. Uit de verklaring van de Cheikh blijkt niet, anders dan de Svb stelt, dat hij over de eigendom van de woning op een eerder moment stukken heeft gezien of betrokken is geweest bij een aanvraag van appellant om een eigendomsverklaring. Bovendien vindt de verklaring van de Cheikh geen steun in andere onderzoeksresultaten. Ook al zou de Volkswagen Caddy op naam van appellant staan, wat niet is vastgesteld, dan nog is dat geen feit aan de hand waarvan vastgesteld kan worden dat de woning eigendom van appellant is.

4.7.

Uit 4.4. volgt dat op basis van de voorliggende onderzoeksgegevens de intrekking en terugvordering geen stand kunnen houden. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit voor zover het de intrekking en terugvordering betreft, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen.

4.8.

Ter zitting heeft de Svb te kennen gegeven dat, als het hoger beroep slaagt, het een nader onderzoek wenst te verrichten naar de eigendom van de woning. Gelet hierop zal de Svb worden opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar tegen de besluiten van 16 april 2015 te nemen voor zover betrekking hebbend op de intrekking en de terugvordering met inachtneming van deze uitspraak. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door de Svb te nemen nieuwe beslissing op het bezwaar voor zover betrekking hebbend op de intrekking en de terugvordering slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Boete

4.9.

Uit artikel 8:72a van de Awb volgt dat de bestuursrechter een beslissing moet nemen over het opleggen van de boete. Mede gelet op de parlementaire geschiedenis is het aan de Raad om zelf de boete vast te stellen dan wel de boete geheel te vernietigen. Gelet op wat in 4.6 tot en met 4.8 is overwogen, is er geen (voldoende) bewijs dat appellant de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de PW op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Daaruit volgt dat het beroep slaagt, dat het bestreden besluit voor zover het de boete betreft, ook zal worden vernietigd en dat het boetebesluit van 16 april 2015 zal worden herroepen.

4.10.

Aanleiding bestaat de Svb te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 501,- in bezwaar, € 1.002,- in beroep en € 1.002,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.505,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 1 september 2015 gegrond en vernietigt dit besluit;

  • -

    herroept het besluit van 16 april 2015 met als onderwerp: “te veel ontvangen

AIO-aanvulling en boete”, voor zover betrekking hebbend op de boete;

- draagt het college op om een nieuw besluit op het bezwaar van appellant tegen de besluiten

van 16 april 2015 te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat tegen het nieuw te nemen besluit op het bezwaar slechts bij de Raad beroep kan

worden ingesteld;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.505,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en J.N.A. Bootsma en

A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2018.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) F. Dinleyici

sg