Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2389

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-07-2018
Datum publicatie
06-08-2018
Zaaknummer
16/8099 AWBZ-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering pgb. Niet aannemelijk gemaakt dat er AWBZ-zorg is geleverd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 8099 AWBZ, 17/6583 AWBZ-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van 15 november 2016, 15/6343 en 11 augustus 2017, 16/5742 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (Zorgkantoor)

Datum uitspraak: 4 juli 2018

Zitting heeft: J. Brand

Griffier: W.M. Swinkels

Ter zitting zijn verschenen: namens appellante mr. A.N.P.M. Adank en [naam 1] , en namens het Zorgkantoor mr. M.H.D. Saro.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

1. Voor zover hier van belang heeft het Zorgkantoor bij besluiten van 22 oktober 2015 en

2 augustus 2017 (bestreden besluiten) het persoonsgebonden budget (pgb) van appellante voor de jaren 2013 en 2014 lager vastgesteld dan de bij de verlening bepaalde bedragen en als gevolg daarvan zijn bedragen van appellante teruggevorderd. Hieraan ligt ten grondslag de afwijzing van de door appellante in 2013 en 2014 verantwoorde kosten voor begeleiding door Stichting Zorgloket Dag & Nacht (SZD&N) omdat niet aannemelijk is gemaakt dat er AWBZ-zorg is geleverd door SZD&N.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3.1.

In de procedure die gaat over het jaar 2013 bestaat geen grond voor het oordeel dat sprake is geweest van schending van de hoorplicht als geregeld in artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad volstaat in dit verband met verwijzing naar zijn uitspraak van 27 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3330.

3.2.

Het Zorgkantoor heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat door SZD&N in de jaren 2013 en 2014 aan appellante

AWBZ-zorg is geleverd, zodat zij niet heeft voldaan aan de verplichting van artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling subsidies AWBZ.

3.2.1.

Het Zorgkantoor heeft appellante in beide procedures herhaaldelijk gevraagd om een toelichting te geven op de verleende zorg door SZD&N. In de procedure over 2013 is eerst in hoger beroep een zorgplan overgelegd, terwijl in de procedure over 2014 eerst in februari 2016, gedurende de bezwaarprocedure, een zorgplan is overgelegd. Het betreft in beide zaken hetzelfde zorgplan dat is opgesteld voor de periode 2013-2014. In het verslag van de op

2 oktober 2015 gehouden hoorzitting in bezwaar over het jaar 2013 staat beschreven dat de toenmalige gemachtigde van appellant, [naam 2] , geen toelichting kan geven op de inhoud van de verleende zorg door SZD&N. In de op 25 juli 2016 gehouden hoorzitting in bezwaar heeft [naam 2] vervolgens enige toelichting gegeven op de door SZD&N verleende zorg en heeft hij daarbij verklaard dat de zorg door hem is verleend. Ter zitting is door [naam 1] bevestigd dat [naam 2] in 2013 en 2014 zorg aan appellante heeft verleend.

3.2.2.

Gelet op 3.2.1 kan redelijkerwijs niet anders worden geconcludeerd dan dat het zorgplan eerst achteraf is opgesteld, wat afbreuk doet aan de objectieve bewijskracht daarvan. Uit dit zorgplan wordt voorts onvoldoende duidelijk hoe de zorg aan appellante werd vormgegeven en wat de werkzaamheden en de werkwijze van de zorgverlener concreet inhielden. Met de toelichting van [naam 2] op de hoorzitting van 25 juli 2016 is, nog daargelaten dat gelet op de gang van zaken getwijfeld kan worden aan de betrouwbaarheid van de gegeven toelichting, evenmin voldoende inzichtelijk gemaakt dat sprake is van begeleiding in de zin van artikel 6 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ. Appellante heeft zelf niet op enig moment in de procedures een toelichting gegeven op de aan haar verleende zorg.

3.3.

Nu niet duidelijk is geworden dat appellante het pgb in de jaren 2013 en 2014 volledig heeft besteed aan AWBZ-zorg is de uitoefening van de bevoegdheid tot lagere vaststelling van het pgb over de jaren 2013 en 2014 als door het Zorgkantoor gedaan, niet onredelijk. Voor zover deze onduidelijkheid is te wijten aan de handelwijze van [naam 2] komt dat in de relatie tussen appellante en het Zorgkantoor voor haar rekening en risico. Appellante heeft geen gronden gericht tegen de wijze waarop het Zorgkantoor van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik heeft gemaakt.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) W.M. Swinkels (getekend) J. Brand

CVG