Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2383

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2018
Datum publicatie
13-08-2018
Zaaknummer
16-3549 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet is gemeld dat sprake was van het voeren van een gezamenlijke huishouding. Intrekking en terugvordering. Het recht op bijstand is niet aannemelijk gemaakt omdat de partner zelfstandige was. Verrekening van de kosten voor vergoeding van het bezwaar. De bestuursrechter was niet gehouden te oordelen over uitbetaling van de vergoeding van de kosten van bezwaar aan gemachtigde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2018/275
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 3549 WWB, 16/5525 WWB, 16/5526 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
14 april 2016, 15/3317 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

Datum uitspraak: 31 juli 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. K.A. Faber, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en daarbij besluiten van 19 mei 2016 (nadere besluiten) overgelegd. Appellanten hebben daarop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2018. Appellanten zijn, zonder bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Blokzijl.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving, voor zover hier van belang, met ingang van 26 juni 2012 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag van 20%. Zij stond met ingang van 9 mei 2008 ingeschreven op het adres [adres 1] (uitkeringsadres). Appellant stond ingeschreven op het adres [adres 2] . Appellanten hebben samen een zoon, geboren [in] 2012.

1.2.

Na de geboorte van de zoon van appellanten is bij het college het vermoeden ontstaan dat appellanten een gezamenlijke huishouding voeren. Het college heeft daarop een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader hebben twee handhavingsmedewerkers van de gemeente Groningen onder meer een huisbezoek op het uitkeringsadres afgelegd op 19 september 2014 en appellante gehoord op

2 oktober 2014. Tijdens dat gehoor heeft appellante, voor zover hier van belang, verklaard: “Mijn woonsituatie is gewijzigd vanaf februari 2014. Dit heeft te maken met de ziekte van ons zoontje. Vanaf dat moment kwam meneer [naam] meer bij ons dan voor die tijd, maar niet alle dagen en nachten. (…) [naam] is vanaf de eerste week van juli 2014 eigenlijk aldoor bij ons. Hij heeft mij gevraagd of ik dit heb doorgegeven aan de sociale dienst. Ik heb tegen hem gezegd dat ik ziek ben en geen zin heb om me daar druk over te maken. Later vroeg hij mij nog een keer. Ik heb gezegd dat ik wacht op het moment dat ik weet wie mijn nieuwe contactpersoon is.” De bevindingen van het onderzoek zijn opgenomen in een rapport van

7 oktober 2014.

1.3.

De bevindingen van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 19 november 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 juli 2015 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellante in te trekken met ingang van 1 juli 2014 en de over de periode van 1 juli 2014 tot en met 31 augustus 2014 gemaakte kosten van bijstand, daaronder begrepen de verstrekte langdurigheidstoeslag, tot een bedrag van in totaal € 2.638,90 van appellante terug te vorderen. Bij besluit van eveneens 19 november 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 juli 2015 (bestreden besluit 2), heeft het college het bedrag van € 2.638,90 mede van appellant teruggevorderd op grond van artikel 59, tweede lid, van de WWB. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten met ingang van 1 juli 2014 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en dat appellante hiervan in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen mededeling heeft gedaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluiten 1 en 2 gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en het college opgedragen nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Daartoe heeft, voor zover van belang, de rechtbank als volgt overwogen, waarbij appellante als eiseres, appellant als eiser, appellanten als eisers en het college als verweerder zijn aangeduid:

“Vaststaat dat uit de relatie van eisers een zoon is geboren. Gelet op artikel 3, vierde lid, aanhef en onderdeel b, van de Wwb, is voor het antwoord op vraag of gedurende de hier te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding dan ook bepalend of eisers hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

(…)

Uit de (…) verklaring van eiseres volgt dat eiser vanaf de eerste week van juli 2014 over het algemeen bij eiseres en hun zoontje verblijft. Ter zitting hebben eisers benadrukt dat eiser vanaf juli 2014 gedurende de ziekte van zijn zoon bij eiseres verbleef. Deze verklaring, in combinatie met de bevindingen tijdens het afgelegde huisbezoek, waarbij meerdere kledingstukken en toiletspullen van eiser in de woning van eiseres zijn aangetroffen, de waarnemingen die gedurende de periode van 1 juli 2014 tot en met 18 september 2014 bij het adres van eiseres zijn verricht, (…) bieden naar het oordeel van de rechtbank een toereikende grondslag voor het standpunt van verweerder dat eiser in de te beoordelen periode tezamen met eiseres zijn hoofdverblijf had in de woning van eiseres.

De stelling van eisers dat eiser niet de intentie had om te gaan wonen en verblijven op het adres van eiseres voor langere tijd doet aan de vaststelling dat hij in de periode in geding zijn hoofdverblijf op het adres van de woning van eisers had, niet af. De stelling van eisers dat het om een tijdelijke situatie ging, nu eiseres zelf met ziekte kampt en het kind ook ziek was, slaagt derhalve niet. Ook de omstandigheid dat eiser een eigen woning heeft en daarvoor de woonlasten draagt, betekent niet dat hij geen hoofdverblijf kan hebben op een ander woonadres. (…).

Nu eiseres en [naam] gezamenlijk een zoon hebben, wordt daarom een gezamenlijke huishouding aanwezig geacht.

Eiseres heeft de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden door verweerder dat niet te melden. Het niet nakomen van deze verplichting heeft geleid tot het ten onrechte dan wel tot een te hoog bedrag verlenen aan bijstand, terwijl eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat, als zij wel aan haar inlichtingenplicht zou hebben voldaan, zij over de desbetreffende periode recht op (aanvullende) bijstand zou hebben gehad.

Bij de toekenning van de bijstand in 2008 is eiseres in kennis gesteld van de daaraan verbonden verplichtingen. Zo is aan eiseres meegedeeld dat veranderingen in haar persoonlijke, gezins- of financiële situatie in elk geval maandelijks dienen te worden gemeld middels het inleveren van een rechtmatigheidsonderzoeksformulier waarna de bijstand nader zal worden vastgesteld. Derhalve kan niet gezegd worden dat eiseres niet voldoende is voorgelicht. De stelling van eiseres dat zij geen klantmanager had en daarom geen melding kon doen dat eiser vanaf juli 2014 veel bij haar was, slaagt daarom niet. Daarbij komt dat eiseres schriftelijk via een brief of digitaal had kunnen doorgeven dat eiser vanaf 1 juli 2014 bij haar en hun zoon verbleef. Uit het feit dat eiser aan eiseres heeft gevraagd om dit aan de gemeente door te geven, blijkt dat eiser vond dat die informatie van belang was voor de gemeente.

(…)

Eisers voeren voorts aan dat verweerder ten onrechte de langdurigheidstoeslag heeft teruggevorderd. De langdurigheidstoeslag is in juni toegekend en die periode valt buiten de maanden juli en augustus waarop de terugvordering ziet.

(…)

De peildatum van de langdurigheidstoeslag is de datum waarop de periode van 60 maanden als bedoeld in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb is bereikt (…).

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het vorenstaande dat verweerder had moeten nagaan op welke periode de langdurigheidstoeslag betrekking had en of gezegd kan worden dat nu er vanaf 1 juli 2014 geen recht op bijstand meer bestond niet voldaan is aan de in artikel 36, eerste lid, van de Wwb gestelde voorwaarden. Nu verweerder bovenstaand onderzoek heeft nagelaten, is de rechtbank van oordeel dat de beroepsgrond slaagt.”

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij is geoordeeld dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden en zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij recht had op (aanvullende) bijstand als zij wel zou hebben voldaan aan die verplichting. Zij hebben daartoe – evenals in beroep bij de rechtbank – aangevoerd dat appellant in de woning van appellante tijdelijk aanwezig was vanwege ziekte en dat van een bestendig gebruik van het adres van appellante geen sprake was. Voorts hebben appellanten – evenals in beroep bij de rechtbank – aangevoerd dat appellante niet verweten kan worden dat zij het college niet heeft geïnformeerd en dat bij de intrekking geconcludeerd had moet worden dat nog recht op aanvullende bijstand bestond, omdat het inkomen van appellant niet boven de bijstandsnorm voor een gezin uitkomt.

4. Het college heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak bij de nadere besluiten beslist dat de (mede)terugvordering van de langdurigheidstoeslag tot een bedrag van € 472,- komt te vervallen en dat de hoogte van het bedrag van de (mede)terugvordering daarmee gesteld moet worden op € 2.166,90. Tevens heeft het college bij die besluiten de toegekende kostenvergoeding voor het bezwaar tot een bedrag van € 496,- verrekend met de (mede)terugvordering.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

De nadere besluiten worden op voet van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling betrokken.

Aangevallen uitspraak

5.2.

De te beoordelen periode loopt van 1 juli 2014 tot en met 19 november 2014.

5.3.

De gronden die appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen – zoals hiervoor onder 2 weergegeven – waarop dat oordeel rust en maakt dit oordeel en de overwegingen tot de zijne. De Raad voegt daaraan nog het volgende toe.

5.4.

Appellanten hebben gesteld dat het inkomen van appellant ten tijde van belang niet uitkwam boven de bijstandsnorm voor een gezin en dat daarom in geval van een gezamenlijke aanvraag recht bestond op aanvullende bijstand. Voor zover appellanten daarmee hebben beoogd te betogen dat het college niet de volledige kosten van de ten onrechte aan appellante verleende bijstand mag (mede)terugvorderen, treft dit betoog geen doel. Al omdat appellant inkomsten als zelfstandig ondernemer ontving, kwam appellanten ingevolge de WWB geen bijstand toe (zie de uitspraak van 7 augustus 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB1835).

5.5.

Uit 5.3 en 5.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

Nadere besluiten

5.6.

Appellanten hebben tegen de nadere besluiten aangevoerd dat zij procederen op grond van een toevoeging en dat het college daarom de kostenvergoeding voor het gemaakte bezwaar ten onrechte heeft verrekend met de (mede)terugvordering. Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals eerder overwogen (uitspraak van 8 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4255) heeft het college ook in het geval dat wordt geprocedeerd op basis van een toevoeging de bevoegdheid op grond van artikel 60, derde lid, van de WWB om de toegekende kostenvergoeding te verrekenen met de vordering op betrokkene als bedoeld in de artikel 58 en 59 van de WWB.

5.7.

Voor zover appellanten hebben aangevoerd dat de kostenvergoeding niet aan hen toekomt, maar moet worden uitbetaald op de derdenrekening van hun gemachtigde, slaagt ook deze beroepsgrond niet. De bestuursrechter is niet gehouden daarover te oordelen (vergelijk het arrest van 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:324).

5.8.

Uit 5.6 en 5.7 volgt dat het hoger beroep tegen de nadere besluiten ongegrond is.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen de besluiten van 19 mei 2016 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2018.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) F. Dinleyici

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

IJ