Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2381

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-07-2018
Datum publicatie
03-08-2018
Zaaknummer
17-4151 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overdracht activiteiten van commanditaire vennootschap aan de gemeente. Diensttijd. Compensatie nabestaandenpensioen. Jubileumtoelage.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2018/164
PR-Updates.nl PR-2018-0100
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 26 juli 2018

17/4151 AW, 17/4152 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

25 april 2017, 16/4155 en 16/5350 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.C. Frissart-Kallenbach, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. G.M. Hissink, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Namens appellante is een reactie op het verweerschrift ingediend.

Het college heeft op verzoek van de Raad nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Frissart-Kallenbach. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Hissink en mr. M. Pinna.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was sinds 20 september 2003 werkzaam bij de commanditaire vennootschap [X.] ( [X.] ). Per 1 januari 2016 zijn de activiteiten van [X.] overgedragen aan de gemeente Nijmegen.

1.2.

Bij besluit van het college van 4 december 2015 is appellante met ingang van

1 januari 2016 aangesteld in algemene dienst in de [naam functie] bij de [naam afdeling], [het bureau], schaal 7, voor 36 uur

per week. In dit besluit is ten aanzien van de diensttijd, onder meer het volgende vermeld: “Een ambtenaar ontvangt eenmalig een jubileumtoelage zodra hij 25, 40 en 50 jaar in overheidsdienst is. De periode die u bij de [X.] heeft gewerkt telt niet mee, vergelijk artikel 1 van de regeling vaststelling diensttijden van jubileum in overheidsdienst

uit de AGN.(…)”. Verder heeft het college geweigerd om appellante een compensatie toe te kennen wegens het vervallen van verzekeringen inzake nabestaandenpensioen, WGA-hiaat en WIA-exedent.

1.3.

Bij besluit van 6 juni 2016 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar ten aanzien van het niet meetellen van de diensttijd van appellante bij [X.] gegrond verklaard voor de bepaling van haar aanspraak op een jubileumtoelage. De diensttijd bij

de [X.] moet worden meegenomen bij de bepaling van deze financiële aanspraak. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.

1.4.

Bij besluit van 26 juli 2016 (bestreden besluit 2) heeft het college geweigerd om appellante een jubileumtoelage wegens 12,5 dienstjaren toe te kennen, omdat artikel 3:19

van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen (AGN) geen toelage kent bij een jubileum van 12,5 jaar. Tegen dit besluit is rechtstreeks beroep ingesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1, voor zover dat betrekking heeft op dienstjaren, niet-ontvankelijk verklaard, op de grond dat appellante hierdoor niet rechtstreeks in haar rechtspositionele belangen wordt geraakt. Dit wordt zij pas door concrete besluiten waaraan het college dit standpunt ten grondslag zou leggen. Er ontbreekt een actueel en feitelijk procesbelang. Voor het overige is dit beroep ongegrond verklaard. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is eveneens ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is en ook de Raad is van oordeel dat de overdracht van de activiteiten van [X.] naar de gemeente Nijmegen moet worden aangemerkt als een overgang van onderneming als bedoeld in Richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen (oorspronkelijk Richtlijn 77/187/EEG, gewijzigd bij

Richtlijn 98/50/EG), (hierna Richtlijn 2001/23). Vergelijk het arrest van het Hof van

Justitie van de Europese Unie (Hof) van 26 september 2000, Mayeur, C-175/99.

4.2.

De wettelijke regeling met betrekking tot de overgang van onderneming in de artikelen 7:662 e.v. van het Burgerlijk Wetboek (BW) vormt de implementatie van Richtlijn 2001/23.

4.2.1.

Artikel 7:662, tweede lid, van het BW luidt als volgt:

”Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

a. overgang: de overgang, ten gevolge van een overeenkomst, een fusie of een splitsing, van een economische eenheid die haar identiteit behoudt;

b. economische eenheid: een geheel van georganiseerde middelen, bestemd tot het ten uitvoer brengen van een al dan niet hoofdzakelijk economische activiteit.”

4.2.2.

Artikel 7:663, eerste volzin, van het BW luidt als volgt:

“Door de overgang van een onderneming gaan de rechten en verplichtingen die op dat tijdstip voor de werkgever in die onderneming voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst tussen hem en een daar werkzame werknemer van rechtswege over op de verkrijger.”

4.2.3.

Artikel 7:664, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW luidt als volgt:

“Artikel 663, eerste volzin, is niet van toepassing op rechten en verplichtingen van de werkgever die voortvloeien uit een pensioenovereenkomst als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet indien: de verkrijger op grond van artikel 2 van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, verplicht is deel te nemen in een bedrijfstakpensioenfonds en de werknemer, bedoeld in artikel 663, gaat deelnemen in dat fonds”

4.2.4.

Voor de vraag wat rechtens is als de overgang van onderneming ertoe leidt dat

de werknemer een aanstelling krijgt als ambtenaar is het arrest Delahaye van belang

(Hof 11 november 2004, C-425/02):

“Richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan, verzet zich in beginsel niet ertegen dat bij de overgang van de onderneming van een privaatrechtelijke rechtspersoon op de staat, deze laatste als nieuwe werkgever de beloning van de betrokken werknemers vermindert teneinde aan de geldende nationale regeling voor overheidspersoneel te voldoen. De voor de toepassing en uitlegging van deze regeling bevoegde instanties zijn echter verplicht om daarbij zo veel mogelijk het doel van deze richtlijn in acht te nemen en met name rekening te houden met de diensttijd van de werknemer, voorzover in de nationale regeling voor overheidspersoneel de anciënniteit een factor is bij de berekening van de bezoldiging van het overheidspersoneel. Wanneer die berekening leidt tot een aanmerkelijke vermindering van de beloning van de betrokkene, vormt een dergelijke vermindering een aanmerkelijke wijziging van de arbeidsvoorwaarden ten nadele van de betrokken werknemers, zodat hun arbeidsovereenkomst om die reden moet worden geacht te zijn verbroken door toedoen van de werkgever in de zin van artikel 4, lid 2, van richtlijn 77/187.”

Ten aanzien van bestreden besluit 1

Diensttijd

4.3.

Volgens vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van 26 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:129) is pas sprake van voldoende procesbelang als het resultaat dat

de indiener van een bezwaar- of (hoger) beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het bereiken van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang.

4.4.

Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat haar diensttijd bij [X.] niet alleen moet meetellen voor het bepalen van haar financiële aanspraken, zoals het recht op een jubileumtoelage, maar ook voor de ontslagvolgorde, de wachtgeldregeling en dergelijke.

4.5.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellante door het standpunt van het college over het meetellen van de diensttijd bij [X.] niet rechtstreeks in haar rechtspositionele belangen wordt geraakt. Een concreet besluit hierover ontbreekt. Evenmin kan procesbelang worden ontleend aan de verzochte veroordeling tot vergoeding van proceskosten (uitspraak van 21 juli 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3666). De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellante geen belang had bij haar beroep tegen bestreden besluit 1, voor zover dat betrekking heeft op de diensttijd en het beroep op dit punt terecht niet-ontvankelijk verklaard. In zoverre slaagt het hoger beroep niet.

Compensatie nabestaandenpensioen

4.6.

Ter zitting heeft appellante het hoger beroep expliciet beperkt tot de weigering om een compensatie toe te kennen wegens het vervallen van verzekeringen inzake het nabestaandenpensioen.

4.7.

De Raad is van oordeel dat het college op grond van artikel 3, vierde lid, onder a van Richtlijn 2001/23, en artikel 7:664, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW niet verplicht was een compensatie wegens (een verslechtering van) het nabestaandenpensioen toe te kennen, aangezien de gemeente Nijmegen verplicht deelnemer is in de bedrijfstakpensioenregeling van het ABP.

4.8.

De Raad ziet geen aanleiding om naar analogie van de Leidraad Privatisering, zoals die geldt bij de gemeente Nijmegen, af te wijken van wat in 4.7 is overwogen. De Leidraad Privatisering is niet van toepassing, nu in dit geval sprake is van deprivatisering. Het door appellante aangevoerde nadeel betreft een onderdeel van een normale pensioenregeling voor ambtenaren. Het hoger beroep op dit punt slaagt niet.

Ten aanzien van bestreden besluit 2

Jubileumtoelage

4.9.

Artikel 3:19, eerste lid, van de AGN bepaalt dat een ambtenaar éénmalig een jubileumtoelage ontvangt zodra hij 25, 40 en 50 jaar in overheidsdienst is. Onder overheidsdienst wordt verstaan de tijd die hij in dienst is geweest bij een bij het ABP aangesloten werkgever.

4.10.

Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat de financiële aanspraak op een ambtsjubileumgratificatie wegens 12,5 dienstjaren op grond van de regeling arbeidsvoorwaarden GEM per 1 januari 2016 is overgegaan op het college.

4.11.

Vaststaat dat appellante op 1 januari 2016 nog geen recht had op een ambtsjubileumgratificatie wegens 12,5 dienstjaren: zij was pas op 20 maart 2016 12,5 jaren in dienst. De Raad is van oordeel dat op de rechtspositie van appellante op 1 januari 2016 alleen de AGN van toepassing was en op grond van de AGN geen recht bestaat op een jubileumtoelage wegens 12,5 dienstjaren. Uit het Delahaye-arrest volgt dat Richtlijn 2001/23 zich er niet tegen verzet dat in geval van overgang van een privaatrechtelijke rechtspersoon, zoals [X.] , naar een publiekrechtelijk orgaan, zoals de gemeente Nijmegen, de arbeidsvoorwaarden van een betrokkene aangepast worden om zo te voldoen aan de geldende nationale regeling, zoals de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) waarvan de AGN een afgeleide is. Wel is het college verplicht om daarbij zo veel mogelijk het doel van Richtlijn 2001/23 in acht nemen en met name rekening te houden met de diensttijd van de werknemer, voor zover in de nationale regeling voor overheidspersoneel de anciënniteit een factor is bij de berekening van de bezoldiging van het personeel van de gemeente Nijmegen. Met diensttijd wordt, zoals vermeld in 1.3 rekening gehouden maar de van toepassing zijnde regeling biedt niet de mogelijkheid een jubileumtoelage te verstrekken na 12,5 jaar. Zoals ook ter zitting namens appellant is beaamd betekent het niet toekennen van de toelage bij 12,5 jaar diensttijd niet dat sprake is van een aanmerkelijke wijziging van arbeidsvoorwaarden ten nadele van appellant.

4.12.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en H. Benek en

J.A.M. van den Berk als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2018.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) J. Smolders

LO