Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2379

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
13-08-2018
Zaaknummer
16-7521 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag na eerdere afwijzing op grond dat woonsituatie niet is vast te stellen. Gewijzigde omstandigheden niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/7521 PW

Datum uitspraak: 24 juli 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

3 november 2016, 16/3572 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.L. Soedamah, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft tezamen met de zaken 17/700 PW en 17/893 PW plaatsgehad op 12 juni 2018. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving in de periode van 12 april 2010 tot 30 september 2013 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Appellant heeft hierna op 20 oktober 2014, op 19 januari 2015 en op 2 maart 2015 aanvragen om bijstand ingediend, die het college heeft afgewezen. Aan de afwijzing van de aanvraag van 2 maart 2015 lag ten grondslag dat, gelet op de bevindingen tijdens het huisbezoek op 1 juni 2015, appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij woonde op het door hem opgegeven adres [adres] (opgegeven adres). Appellant staat vanaf 17 oktober 2007 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (thans basisregistratie personen) ingeschreven op het opgegeven adres.

1.2.

Op 1 oktober 2015 heeft appellant opnieuw bijstand op grond van de Participatiewet (PW) aangevraagd. Op zijn aanvraagformulier heeft appellant aangekruist dat hij geen medebewoners heeft. Tijdens het intake-gesprek op 15 oktober 2015 heeft hij onder meer verklaard dat hij vanaf 2007 op het opgegeven adres woont en dat er na de laatste aanvraag niets is gewijzigd in zijn woon- en leefsituatie. Appellant heeft verder twee schriftelijke verklaringen van derden overgelegd inhoudende dat hij in de afgelopen periode heeft geleefd van de van hen geleende bedragen van € 5.000,- en € 8.000,-.

1.3.

Naar aanleiding van deze aanvraag een handhavingspecialist van Handhaving Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam, werkzaam binnen de afdeling Controle, (handhavingspecialist) een onderzoek ingesteld naar de door appellant verstrekte gegevens over zijn feitelijke woonadres, woonsituatie en middelen. In dat kader heeft de handhavingspecialist onder meer dossieronderzoek verricht en appellant uitgenodigd voor een gesprek op 23 november 2015. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een op ambtsbelofte opgemaakt rapport van 26 november 2015 (rapport). In het rapport staat vermeld dat appellant tijdens het gesprek onder andere heeft verklaard dat er geen wijzigingen in zijn woon- en leefsituatie zijn. Volgens een in het rapport opgenomen noot bleef appellant de handhavingspecialist aanstaren en zei appellant geen woord. De handhavingspecialist heeft appellant meerdere malen de medewerkingsplicht uitgelegd. Appellant bleef stil. Vervolgens heeft de handhavingspecialist appellant erop gewezen dat hij niet meewerkt en dat hij de medewerkingsplicht heeft geschonden door geen antwoorden te geven op de gestelde vragen. De handhavingspecialist heeft het gesprek beëindigd, waarna appellant is vertrokken.

1.4.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest bij besluit van

30 november 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 april 2016 (bestreden besluit), de aanvraag van 1 oktober 2015 af te wijzen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant op 23 november 2015 geen medewerking heeft verleend aan het onderzoek naar het recht op bijstand door geen antwoord te geven op de gestelde vragen van de handhavingspecialist. Het recht op bijstand kan daardoor niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank als volgt overwogen, waarbij appellant als eiser en het college als verweerder is aangeduid:

“6. Volgens vaste rechtspraak van de Raad ligt het, na intrekking van een periodieke bijstandsuitkering of afwijzing van een eerdere aanvraag om periodieke bijstand, op de weg van de aanvrager om aannemelijk te maken dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat op dat later tijdstip wel wordt voldaan aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. (…)

7. Eveneens volgens vaste rechtspraak van de Raad (…) mag in beginsel worden uitgegaan van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt rapport van een handhavingspecialist, tenzij sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat op dit uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om dit uitgangspunt te verlaten. Naar het oordeel van de rechtbank is de, niet onderbouwde, stelling van eiser dat het gesprek op 23 november 2015 anders is verlopen onvoldoende reden om te twijfelen aan de juistheid van het op ambtsbelofte opgemaakte rapport. Ook de stelling van eiser dat hij tijdens het gesprek zou hebben aangegeven dat er nieuwe feiten en omstandigheden zijn, maakt dit niet anders. Bovendien strookt deze betwisting van eiser niet met het door eiser in het Engels ingevulde mededelingenformulier van 15 oktober 2015. Eiser heeft hierop zelf aangegeven dat zijn woon- en leefsituatie niet is veranderd.

8. De rechtbank is van oordeel dat uit het op ambtsbelofte opgemaakte rapport blijkt dat eiser tijdens het gesprek op 23 november 2015 onvoldoende medewerking heeft verleend. Daarbij is van belang dat het op de weg van eiser had gelegen aannemelijk te maken dat zijn situatie ten opzichte van de vorige (afgewezen) aanvraag was gewijzigd. Onder deze omstandigheden had verweerder geen aanleiding hoeven zien tot het doen van nader onderzoek. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiser de op hem rustende medewerkingsverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.”

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft, evenals in beroep, het volgende aangevoerd. Appellant betwist dat hij op 23 november 2015 in stilte de handhavingspecialist heeft zitten aanstaren. Hij heeft gezegd dat er nieuwe feiten en omstandigheden zijn. Hiervan is ten onrechte geen gespreksverslag opgemaakt wat hij kon ondertekenen. Na het gesprek heeft ten onrechte ook geen huisbezoek plaatsgevonden. Het besluit is dan ook onzorgvuldig en onrechtmatig genomen. Appellant heeft alle medewerking verleend die nodig is om zijn recht op bijstand vast te stellen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dat wel onvolledig is. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust, worden geheel onderschreven. Hieraan wordt het volgende toegevoegd. Vaststaat dat van het gesprek met de handhavingspecialist geen schriftelijk conceptverslag is opgemaakt. De Raad heeft echter geen aanleiding te twijfelen aan de weergave van wat appellant tijdens het gesprek op 23 november 2015 heeft gezegd, zoals opgenomen in het op ambtsbelofte rapport van

26 november 2015. Te minder ook omdat de handhavingspecialist desgevraagd in bezwaar heeft verklaard dat er geen concept is gemaakt omdat appellant geen antwoord heeft gegeven op de gestelde vragen en datgene wat wel is besproken, is opgenomen in het rapport. Van een onzorgvuldige en onrechtmatige besluitvorming is daarom geen sprake.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een veroordeling tot vergoeding van schade bestaat onder deze omstandigheden geen ruimte, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek tot veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2018.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) J. Smolders

RH