Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2378

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-08-2018
Datum publicatie
03-08-2018
Zaaknummer
16/4814 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:4295, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Doorbreking formele rechtskracht. Omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn in de zin van artikel 4:6 Awb en geen sprake is van een evident onredelijk besluit dat tot doorbreking van de formele rechtskracht kan leiden, kan het beroep van appellante op het arrest Dangeville niet slagen.

Nieuwe aanvraag. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de diagnose fibromyalgie, de (overige) lichamelijke en psychische klachten van appellante en haar medicatie geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn. Het Uwv mocht het verzoek van appellante dan ook afwijzen met verwijzing naar het besluit van 14 januari 2013. Geen sprake van evident onredelijk besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 2 augustus 2018

16/4814 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
10 juni 2016, 15/5285 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Šimičević, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 21 juni 2018. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als fulltime verkoopassistente in een viswinkel. Zij heeft zich op 18 oktober 2012 ziek gemeld. Zij ontving op dat moment een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Op 14 januari 2013 heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts van het Uwv. Deze arts heeft appellante per 15 januari 2013 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 januari 2013, waarbij is vastgesteld dat zij met ingang van 15 januari 2013 geen recht heeft op ziekengeld, heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 26 februari 2013 wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld.

2.1.

Appellante heeft zich op 14 januari 2015 tot het Uwv gewend met een verzoek het besluit van 14 januari 2013 te herzien, omdat zij meent dat dit besluit op evident onjuiste gronden is genomen. Appellante heeft gesteld dat zij op 15 januari 2013 niet geschikt was om haar werk te verrichten, omdat zij vanaf 8 juni 2012 bekend was met een depressie en zij daarnaast vanaf 22 november 2012 slaapproblemen had. Zij heeft daartoe verwezen naar een patiëntenkaart van de huisarts.

2.2.

Het Uwv heeft overeenkomstig een advies van een verzekeringsarts, bij besluit van
6 februari 2015, geweigerd terug te komen van het besluit van 14 januari 2013 omdat er geen nieuwe informatie is verstrekt die aanleiding geeft voor een andere beslissing. Appellante heeft hiertegen bezwaar gemaakt en informatie overgelegd van i-psy van 23 januari 2013,
27 februari 2014 en 28 februari 2014 en informatie van de reumatoloog van 29 september 2014. Bij besluit van 15 juli 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 juli 2015 ten grondslag.

3. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv de hoorplicht heeft geschonden. Omdat appellante inmiddels voldoende in de gelegenheid is gesteld om haar standpunt naar voren te brengen, heeft de rechtbank aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Daarbij is ook betrokken dat de door appellante aangevoerde argumenten geen nova zijn in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De lichamelijke klachten van appellante, alsmede haar psychische klachten en de daaruit voortvloeiende vermoeidheidsklachten, waren al in 2013 bekend. Ook is toen rekening gehouden met de medicatie die appellante al langer gebruikte en met de diagnose fibromyalgie. Ook overigens kan volgens de rechtbank niet worden geoordeeld dat wat appellante in bezwaar naar voren heeft gebracht en aan medische informatie heeft ingezonden, nieuwe medische feiten of omstandigheden bevat, of nieuwe medische inzichten, die leiden tot een gewijzigde opvatting over de effecten van een bepaalde afwijking op de gezondheidssituatie van appellante in januari 2013. De rechtbank heeft niet ingezien dat het arrest Dassonville (lees: het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van
16 april 2002, Dangeville vs. Frankrijk, 36677/97, ECLI:CE:ECHR:2002:0416JUD003667797) of hogere wet- en regelgeving dan wel rechtspraak leidt tot het oordeel dat een zaak, ondanks het ontbreken van nova, inhoudelijk moet worden getoetst. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat niet gebleken is van strijd met hogere wet- of regelgeving of jurisprudentie.

4.1.

In hoger beroep heeft appellante, samengevat, naar voren gebracht dat er wel sprake is van nova omdat er bij appellante fibromyalgie is vastgesteld en het Uwv heeft gefaald een deugdelijk onderzoek in te stellen naar haar aandoening en haar beperkte capaciteiten, temeer nu appellante ook psychische klachten en problemen met haar rechtervoet had. De rechtbank heeft miskend dat het herzieningsverzoek is gedaan wegens de evidente onjuistheid van het besluit van 14 januari 2013. Onder verwijzing naar het onder 3 genoemde arrest Dangeville heeft appellante gesteld dat er gevallen denkbaar zijn waarin het vasthouden aan de formele onaantastbaarheid van een besluit zo onredelijk uitpakt dat het rechtens ontoelaatbaar wordt. Ook bij appellante is dit het geval, omdat de onaantastbaarheid van het besluit van 14 januari 2013 verregaande gevolgen met zich meebrengt.

4.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1.

Artikel 4:6 van de Awb luidt als volgt:

1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijkende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

5.2.

Het verzoek van appellante van 14 januari 2015 strekt ertoe dat het Uwv terugkomt van zijn besluit van 14 januari 2013. Het Uwv heeft hierop beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6 van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (zie de uitspraak van de Raad van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115).

5.3.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

5.4.

Ter ondersteuning van haar verzoek heeft appellante aangevoerd dat zij op 15 januari 2013 niet in staat was om haar werk te verrichten, omdat zij bekend was met een depressie en slaapproblemen. Daarbij heeft zij verwezen naar informatie van haar huisarts. In bezwaar heeft zij daaraan toegevoegd dat bij haar fibromyalgie is vastgesteld en dat zij problemen heeft met haar rechtervoet. Zij heeft informatie van i-psy en de reumatoloog ingezonden.

5.5.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de diagnose fibromyalgie, de (overige) lichamelijke en psychische klachten van appellante en haar medicatie geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn. De verzekeringsarts was destijds hiermee bekend en heeft ook rekening gehouden met de klachten van appellante. Het Uwv mocht het verzoek van appellante dan ook afwijzen met verwijzing naar het besluit van 14 januari 2013.

5.6.

In wat appellante heeft aangevoerd wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre evident onredelijk is. De in appellantes verzoek vermelde klachten en in het dossier aanwezige medische gegevens bieden geen onderbouwing voor het standpunt van appellante dat destijds een evident onjuist besluit is genomen.

5.7.

Omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn in de zin van artikel 4:6 van de Awb en geen sprake is van een evident onredelijk besluit dat tot doorbreking van de formele rechtskracht kan leiden, kan het beroep van appellante op het arrest Dangeville niet slagen. Hieraan wordt toegevoegd dat dit arrest ziet op gevallen waarin de betrokkene de nationale rechtsmiddelen heeft uitgeput dan wel waarin de betrokkene niet valt te verwijten dat hij de nationale rechtsmiddelen niet heeft uitgeput (vergelijk de uitspraak van de Raad van 21 augustus 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BE9536). De situatie van appellante is hiermee niet vergelijkbaar. Zij heeft namelijk geen rechtsmiddel aangewend tegen de beslissing op bezwaar van 26 februari 2013.

5.8.

Voor zover het verzoek van appellante ziet op de periode na haar aanvraag, wordt overwogen dat het verzoek om terug te komen van het eerdere besluit is gedaan op een datum waarop het tijdvak waarover het ziekengeld kon worden verstrekt als bedoeld in artikel 29, vijfde lid, van de Ziektewet, al was verstreken. Een beoordeling van eventuele aanspraken in de toekomst kan in deze procedure dan ook niet aan de orde komen (vergelijk de uitspraak van de Raad van 16 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4600).

5.9.

De overwegingen in 5.5 tot en met 5.8 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, zal worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en E.J.J.M. Weyers en
D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2018.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) R.H. Budde

NW