Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2377

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-07-2018
Datum publicatie
03-08-2018
Zaaknummer
17-2500 MPW-PV
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar vaste rechtspraak (uitspraak van 7 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2651) geldt de WPC-schaal slechts als richtlijn en staat het de staatssecretaris vrij de betrokken codes ook partieel en/of vergelijkenderwijs toe te passen. Nu de staatssecretaris ter zitting de beroepsgrond, dat door de rechtbank ten onrechte een percentage van 20% is gehanteerd, heeft ingetrokken, volgt dat uitgegaan moet worden van een mate van invaliditeit 20%. Bevestiging aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten en met verbetering van gronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 2500 MPW-PV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 februari 2017, 16/2779 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Defensie, thans de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 19 juli 2018

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Minister van Defensie, is in verband met wijziging van taken voortgezet ten name van de staatssecretaris. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van staatssecretaris, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Minister van Defensie.

Zitting hebben: C.H. Bangma als voorzitter en J.J.T. van den Corput en H. Benek als leden.

Griffier: J. Smolders

De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.J. Engels Linssen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. W.E. Louwerse.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van betrokkene ter hoogte van € 1.002,-.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2018. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

Betrokkene is in 2006 als marinier uitgezonden geweest naar Afghanistan. Tijdens de uitzending heeft betrokkene verwondingen opgelopen aan zijn nek, gehoor en kaak. Ook was sprake van gehoorvermindering en tinnitus.

Betrokkene heeft een geneeskundig onderzoek ondergaan, waarvan op 13 augustus 2013 rapport is uitgebracht. Daarin is geconcludeerd dat betrokkene lijdt aan nek-, gehoor- en kaakklachten. Voor het letsel van nek en beide oren wordt oorzakelijk dienstverband aanvaard. De mate van invaliditeit vanwege de aandoening van de nek is vastgesteld op 15%. Ten aanzien van de aandoening aan het gehoor en de kaak is geen invaliditeit aangenomen.

Bij besluit van 8 mei 2015 heeft de staatssecretaris aan betrokkene met ingang van 1 juli 2014 een bijzondere invaliditeitsverhoging van 2,5% toegekend, gebaseerd op een mate van invaliditeit van 15%. Bij besluit van 2 maart 2016 (bestreden besluit) is de ingangsdatum van de bijzondere invaliditeitsverhoging bepaald op 15 mei 2012 en is het besluit van

8 mei 2015 voor het overige gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 8 mei 2015 herroepen voor zover het betreft het vastgestelde invaliditeitspercentage, het invaliditeitspercentage bepaald op 20% en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit. Hiertoe is overwogen dat de staatssecretaris heeft mogen uitgaan van het rapport van het geneeskundig onderzoek. De rechtbank acht de gegeven verklaring van de staatssecretaris voor de keuze van de WPC code 0404 ten aanzien van de nekklachten van betrokkene afdoende. Nu de staatssecretaris code 0404 van toepassing heeft geacht, dient hij naar het oordeel van de rechtbank ook het bij die code behorende invaliditeitspercentage van 20% aan betrokkene toe te kennen. Het betoog dat de staatssecretaris ten onrechte een invaliditeitspercentage van 15% in plaats van de 20% behorende bij de van toepassing geachte WPC code 0404 heeft toegekend, slaagt dan ook. Uit het Voorwoord in het Ontwerp invaliditeitsschaal blijkt dat de bij de WPC codes vermelde percentages minimumpercentages zijn. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat er geen ruimte is voor een gedeeltelijke toekenning van het invaliditeitspercentage van de van toepassing geachte

WPC code.

Het hoger beroep van de staatssecretaris richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de codes van de WPC-schaal niet partieel mogen worden toegepast. De staatssecretaris heeft aangevoerd dat het volgens vaste rechtspraak van de Raad is toegestaan om de betrokken codes van WPC-schaal vergelijkenderwijs en/of partieel toe te passen. Dat een bij een code vermeld percentage als minimumpercentage geldt, betekent niet dat die ondergrens in acht dient te worden genomen.

Dit betoog van de staatssecretaris slaagt. Naar vaste rechtspraak (uitspraak van

7 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2651) geldt de WPC-schaal slechts als richtlijn en staat het de staatssecretaris vrij de betrokken codes ook partieel en/of vergelijkenderwijs toe te passen.

Nu de staatssecretaris ter zitting de beroepsgrond, dat door de rechtbank ten onrechte een percentage van 20% is gehanteerd, heeft ingetrokken, volgt dat uitgegaan moet worden van een mate van invaliditeit 20%.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep ten dele slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten en met verbetering van gronden, moet worden bevestigd.

Aanleiding bestaat om de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten van betrokkene voor de verlening van rechtsbijstand in hoger beroep ter hoogte van € 1.002,-.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) J. Smolders (getekend) C.H. Bangma

Voor eensluidend afschrift

de griffier van de

Centrale Raad van Beroep

sg