Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:237

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2018
Datum publicatie
29-01-2018
Zaaknummer
17-1652 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad heeft niet de overtuiging gekregen dat betrokkene de opzet had om onjuiste declaraties in te dienen met de bedoeling om een hogere reiskostenvergoeding te verkrijgen en acht de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet evenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. Anders dan de rechtbank acht de Raad een voorwaardelijk ontslag met daaraan gekoppeld de voorwaarde van een verhuisverplichting in de gegeven omstandigheden ook een te zware straf. Voor het gepleegde plichtsverzuim zou de minister wel de straf van een schriftelijke berisping kunnen opleggen als bedoeld in artikel 81, eerste lid, aanhef en onder a, van het ARAR. Nieuw besluit op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2018/58
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/1652 AW, 17/1680 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

19 januari 2017, 15/5246 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[betrokkene ] te [woonplaats] (betrokkene)

de Minister van Justitie en Veiligheid (minister)

Datum uitspraak: 25 januari 2018

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. G.M. Boerma hoger beroep ingesteld.

De minister heeft eveneens hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. Boerma een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2017. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Boerma. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen

mr. N.M. Vastenburg, P.R.M.L. le Grand, M.H.A.M. Gloudemans en J.L. Franke.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene had met ingang van 5 november 2012 een tijdelijke aanstelling voor de duur van de opleiding bij [naam Dienst] ([A] ) in de functie van medior complexbeveiliger. Vanaf 7 november 2014 is betrokkene vast aangesteld in deze functie.

1.2.

Nadat er begin 2015 onduidelijkheid over de feitelijke woonplaats van betrokkene was ontstaan en twijfel aan de juistheid van de door hem verrichte reiskostendeclaraties, hebben afdelingshoofd De W, personeelsadviseur A, divisiemanager F en managementassistente S op 10 maart 2015 een gesprek met hem gehad. Bij besluit van 11 maart 2015 is aan betrokkene bijzonder verlof verleend in afwachting van de uitkomsten van een intern feitenonderzoek. Tegen dit besluit heeft hij geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3.

Nadat de minister het voornemen daartoe bekend had gemaakt en betrokkene zijn zienswijze naar voren had gebracht, heeft de minister bij besluit van 13 mei 2015, na bezwaar en in afwijking van het advies van de bezwaarcommissie, gehandhaafd bij besluit van

17 november 2015 (bestreden besluit), betrokkene wegens plichtsverzuim primair de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd met toepassing van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). De minister heeft de volgende gedragingen ieder voor zich en in onderlinge samenhang aangemerkt als plichtsverzuim en aan de disciplinaire straf ten grondslag gelegd:
A. betrokkene heeft niet integer gehandeld door bij indiensttreding of daarna de dienst bewust niet dan wel onvolledig te informeren over het feit dat hij niet woonachtig is in één van de postcodegebieden die zijn aangegeven in de vacaturetekst;
B. betrokkene heeft frauduleus gehandeld door vanuit [provincie X] naar [plaatsnaam 1] te rijden voor opleidingen en de reiskosten vanuit [plaatsnaam 2] te declareren;
C. betrokkene heeft frauduleus gehandeld door in de periode van 26 december 2014 tot en met 12 februari 2015 vanuit [woonplaats] te declareren daar deze plaats niet binnen het postcodegebied valt;
D. betrokkene heeft niet conform de waarheid verklaard;
E. betrokkene heeft schade toegebracht aan de Dienst Justitiële Inrichting in het algemeen en de [A] in het bijzonder.
Subsidiair heeft de minister betrokkene met toepassing van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder i, van het ARAR, ontslag verleend wegens het verstrekken van onjuiste dan wel onvolledige inlichtingen bij indiensttreding zonder welke handelwijze niet tot indienstneming zou zijn overgegaan en betrokkene niet te goeder trouw heeft gehandeld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over vergoeding van proceskosten en griffierecht, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. De rechtbank heeft het besluit van 13 mei 2015 herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. Over verweten gedraging A heeft de rechtbank geoordeeld dat op grond van de beschikbare gegevens uitgegaan dient te worden van de door betrokkene bij zijn sollicitatie gedane opgaven. Niet is gebleken dat betrokkene onjuiste gegevens heeft verstrekt of de dienst Werving & Selectie (W&S) bewust niet of onvolledig heeft geïnformeerd, zodat geen sprake is van plichtsverzuim ten aanzien van de door betrokkene gedane opgaven van zijn woon-, post- en logeeradressen. Het aan betrokkene verleende - subsidiaire - ontslag berust aldus niet op een deugdelijke grondslag en het bestreden besluit moet in zoverre worden vernietigd. De verweten gedragingen B en C heeft betrokkene erkend. Door reiskosten te declareren vanaf [plaatsnaam 2] , terwijl hij feitelijk vanuit [provincie X] naar [plaatsnaam 1] reisde, heeft betrokkene in strijd met de waarheid te hoge reiskosten gedeclareerd; dit is plichtsverzuim. Ook het declareren van dienstreizen vanuit [woonplaats] is naar het oordeel van de rechtbank plichtsverzuim, omdat deze woonplaats ligt buiten het postcodegebied waarin betrokkene geacht werd te wonen en hij hierover niet vooraf overleg heeft gevoerd. Dit plichtsverzuim is betrokkene toe te rekenen, zodat de minister bevoegd was een disciplinaire straf op te leggen. De rechtbank acht de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet evenredig aan het gepleegde plichtsverzuim, omdat de minister geen nader onderzoek heeft gedaan naar de door betrokkene opgegeven post- en logeeradressen en ook niet naar de juistheid van de vanaf zijn indiensttreding op 5 november 2012 door betrokkene ingediende declaraties. Wel kunnen de verweten gedragingen B en C een voorwaardelijk strafontslag rechtvaardigen, waaraan de minister als (aanvullende) voorwaarde een verhuisverplichting zou kunnen verbinden.

3.1.

Betrokkene heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat de verweten gedragingen B en C plichtsverzuim opleveren en dit plichtsverzuim de straf van voorwaardelijk ontslag zou kunnen rechtvaardigen met daaraan gekoppeld de voorwaarde van een verhuisverplichting.

3.2.

De minister heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat het subsidiaire ontslag geen stand houdt. Voorts heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat het wel door de rechtbank vastgestelde plichtsverzuim op zichzelf genomen onvoorwaardelijk strafontslag rechtvaardigt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad stelt voorop dat, gelet op wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, nog in geding zijn de verweten gedragingen A, B en C en de vraag of de subsidiaire ontslaggrond het ontslag kan dragen.

De verweten gedraging A en de subsidiaire ontslaggrond

4.2.

Betrokkene heeft op 21 mei 2012 gesolliciteerd op de functie complexbeveiliger [A]. Eén van de functie-eisen was woonachtig zijn binnen bepaalde postcodegebieden. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van de minister desgevraagd verklaard dat deze eis is gesteld om het woon-werkverkeer uit een oogpunt van kostenbesparing zo kort mogelijk te houden; [A] is een landelijk werkende dienst, maar het werkgebied is voornamelijk het midden en westen van Nederland. De eis is niet gesteld omdat medewerkers snel ter plaatse zouden moeten zijn. Er gold geen verbod te verhuizen naar een woonplaats buiten de postcodegebieden.

4.3.

Betrokkene heeft tijdens zijn sollicitatieprocedure op de verschillende formulieren verschillende adressen opgegeven. Op het sollicitatieformulier heeft hij bij woonplaats ingevuld [plaatsnaam 2] en bij gemeente van inschrijving [plaatsnaam 3] . Hij heeft op het formulier vermeld bereid te zijn om te verhuizen. Het formulier is ondertekend in [plaatsnaam 3] . Op het scoreformulier/checklist sollicitanten heeft de selectiecommissie bij de vraag of betrokkene woont in het postcodegebied ‘ja’ aangekruist en toegevoegd ‘verhuizen op eigen kosten’. Het besluit over de arbeidsvoorwaarden heeft betrokkene voor akkoord ondertekend te [plaatsnaam 4] . De checklist arbeidsvoorwaarden heeft betrokkene ondertekend in [plaatsnaam 4] en bij adresgegevens heeft hij als woonplaats [plaatsnaam 2] ingevuld. Op het document Verklaring toestemming antecedentenonderzoek heeft hij als woonplaats opgegeven [plaatsnaam 3] en toegevoegd: ‘postadres/logeeradres: [plaatsnaam 2] ’. Het formulier is in [plaatsnaam 4] ondertekend. Op de formulieren aanvraag vaccinatie Hepatitis B en Registratie Medewerkers ten behoeve van toegangspas heeft betrokkene als woonplaats opgegeven [plaatsnaam 2] . Op het formulier Model opgaaf gegevens loonheffing heeft hij [plaatsnaam 3] opgegeven als woonplaats. De verklaring omtrent gedrag is verstuurd naar het adres van betrokkene in [plaatsnaam 3] .

4.4.

Het voorgaande bevestigt de stelling van betrokkene dat hij er open over is geweest dat hij woonde in [provincie X] , tijdens zijn sollicitatie in [plaatsnaam 3] en later in [woonplaats] , maar logeerde bij zijn schoonouders in [plaatsnaam 2] . Dat met de leidinggevende van betrokkene,

De W, was afgesproken dat hij woon-werkverkeer vanuit [plaatsnaam 2] zou declareren blijkt uit het in hoger beroep overgelegde besluit van 16 maart 2015 over een afgekeurde declaratie. Weliswaar is tijdens de sollicitatieprocedure kennelijk over verhuizen gesproken, maar de minister heeft geen nader onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van betrokkene en ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van de minister te kennen gegeven dat aan betrokkene geen verhuisplicht naar een van de postcodegebieden is opgelegd.

4.5.

Uit wat onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat betrokkene zich niet schuldig heeft gemaakt aan verweten gedraging A. Evenmin kan worden gezegd dat hij in verband met indiensttreding onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt, zodat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de subsidiaire ontslaggrond niet berust op een deugdelijke grondslag.

De verweten gedragingen B en C

4.6.

Van 8 januari 2013 tot en met 22 januari 2013 en van 10 november 2014 tot en met

25 november 2014 is betrokkene vanuit [provincie X] naar de opleiding in [plaatsnaam 1] gereisd en heeft hij de kosten daarvan gedeclareerd vanuit [plaatsnaam 2] . Zo ontving hij een hogere vergoeding dan waar hij feitelijk recht op had. Betrokkene had moeten en kunnen begrijpen dat het zonder overleg met zijn leidinggevende indienen van deze declaraties plichtsverzuim oplevert.

4.7.

Dit geldt ook voor het vanaf 26 december 2014 declareren van reiskosten vanuit [woonplaats] , nu dit buiten de postcodegebieden valt en betrokkene daarvoor geen uitdrukkelijke toestemming had verkregen van zijn leidinggevende. Dat hij de vraag al wel had voorgelegd aan zijn nieuwe leidinggevende en dat het betrokkene niet, zoals hij stelt, was te doen om een hogere reiskostendeclaratie maar dat hij in verband met een verbouwing van de woning van zijn schoonouders in [plaatsnaam 2] zijn post in [woonplaats] wilde ontvangen, maakt dit niet anders.

Evenredigheid

4.8.

Gelet op de beschikbare gegevens heeft de Raad niet de overtuiging gekregen dat betrokkene de opzet had om onjuiste declaraties in te dienen met de bedoeling om een hogere reiskostenvergoeding te verkrijgen. Mede in aanmerking genomen de korte tijd (twee keer twee weken) waarover betrokkene ten onrechte reizen van [plaatsnaam 2] naar [plaatsnaam 1] heeft gedeclareerd en dat hij zodra hem duidelijk werd dat hij niet vanuit [woonplaats] kon declareren heeft gevraagd hoe hij dat kon herstellen, acht ook de Raad de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet evenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. Anders dan de rechtbank acht de Raad een voorwaardelijk ontslag met daaraan gekoppeld de voorwaarde van een verhuisverplichting in de gegeven omstandigheden ook een te zware straf. Voor het gepleegde plichtsverzuim zou de minister wel de straf van een schriftelijke berisping kunnen opleggen als bedoeld in artikel 81, eerste lid, aanhef en onder a, van het ARAR.

Slotoverwegingen

4.9.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep van betrokkene slaagt en dat het hoger beroep van de minister niet slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover daarin het besluit van 13 mei 2015 is herroepen en de minister opdragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.

5. Aanleiding bestaat om de minister te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- voor verleende rechtsbijstand en op

€ 50,44 aan reiskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het besluit van 13 mei 2015 is

herroepen;

- draagt de minister op een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze

uitspraak;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.052,44;

- bepaalt dat de minister aan betrokkene het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 250,-

vergoedt;

- bepaalt dat van de minister een griffierecht van € 501,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2018.

(getekend) J.N.A. Bootsma

(getekend) L.V. van Donk

HD