Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2365

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-08-2018
Datum publicatie
02-08-2018
Zaaknummer
15/8579 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling OV-schuld. Wegens het ten onrechte beschikken over een op een OV-chipkaart geladen reisproduct is een schuld ontstaan van € 388,- over de maanden februari en maart 2013. Er is geen sprake van een situatie waarin het niet tijdig stopzetten van het reisproduct aantoonbaar niet kan worden toegerekend aan appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/8579 WSF

Datum uitspraak: 1 augustus 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 17 november 2015, 14/4475 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft drs. J.G. Valbracht hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift en een reactie op vragen van de Raad ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 december 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door drs. Valbracht. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. G.J.M. Naber.

Het onderzoek ter zitting is geschorst.

De minister heeft antwoord gegeven op nadere vragen van de Raad en namens appellant is daarop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 9 mei 2018. Voor appellant is zijn vader verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 18 januari 2013 heeft de minister bepaald dat appellant, vanwege de beëindiging van zijn aanvraag, vanaf 1 februari 2013 niet langer recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000).

1.2.

Bij besluiten van 2 maart 2013 en 29 maart 2013 heeft de minister een OV-schuld ten laste van appellant van in totaal € 388,- vastgesteld.

1.3.

De minister heeft, voor zover hier van belang, het bezwaar tegen de onder 1.2 vermelde besluiten bij besluit van 10 juni 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft de minister ten grondslag gelegd dat nu appellant per 1 februari 2013 geen recht meer had op studiefinanciering, waaronder een reisrecht, hij het op zijn

OV-chipkaart geladen reisproduct uiterlijk op de vijfde werkdag van de maand februari 2013 had moeten stopzetten. Appellant heeft zijn reisproduct evenwel pas stopgezet op

18 maart 2013, zodat er wegens het ten onrechte beschikken over een op een OV-chipkaart geladen reisproduct een schuld is ontstaan van € 388,- over de maanden februari en maart 2013. Er is geen sprake van een situatie waarin het niet tijdig stopzetten van het reisproduct aantoonbaar niet kan worden toegerekend aan appellant.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, onder meer, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard. Volgens appellant gaat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij dat hij zijn reisproduct al op 14 januari 2013 heeft stopgezet, althans dat hij in de gerechtvaardigde veronderstelling verkeerde dat het stopzetten op 14 januari 2013 gelukt was. Het scherm van de automaat gaf dit aan maar door een fout in de automaat is het reisproduct niet van de OV-chipkaart verwijderd. Appellant kan daarvan geen bewijs leveren, maar gelet op het gegeven dat hij na 14 januari 2013 niet meer heeft gereisd met de OV-chipkaart waarop het reisproduct was geladen, is dat volgens hem wel aannemelijk. Toen later bleek dat de stopzetting niet juist was geregistreerd heeft hij op

18 maart 2013 nogmaals het reisproduct stopgezet. Hij was er niet van op de hoogte dat hij had moeten controleren of de stopzetting was gelukt. Hierover is hij ten onrechte niet persoonlijk geïnformeerd. Verder heeft appellant naar voren gebracht dat de minister zijn OV-schuld onnodig en onredelijk heeft laten oplopen. Al op 6 februari 2013 was de minister ervan op de hoogte dat appellant ten onrechte over een reisproduct beschikte.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Voor het toepasselijke wettelijke kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

4.2.

In geschil is de vastgestelde OV-schuld over de maanden februari en maart 2013 tot een bedrag van € 388,-. Niet in geschil is dat appellant in deze periode geen aanspraak had op studiefinanciering, waaronder een reisrecht.

4.3.1.

Met de door de Regisseur Studentenreisproduct (RSR) verstrekte informatie van

27 december 2016 en 22 februari 2017 staat overtuigend vast dat het technisch onmogelijk is dat een reisproduct tweemaal kan worden verwijderd van de(zelfde) OV-chipkaart. Nu vaststaat dat het reisproduct op 18 maart 2013 van de OV-chipkaart van appellant is verwijderd is daarmee gegeven dat het reisproduct niet al op 14 januari 2013 is stopgezet.

4.3.2.

Een stopzetting van het reisproduct eerst op 18 maart 2013 leidt tot de

vaststelling dat appellant op grond van het bepaalde in artikel 3.27, tweede lid, van de

Wsf 2000 aan de minister een bedrag van € 388,- verschuldigd is.

4.4.

Er is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 3.27, derde lid, van de Wsf 2000 dan wel van zeer bijzondere omstandigheden op grond waarvan met toepassing van de in artikel 11.5 van de Wsf 2000 neergelegde hardheidsclausule afgeweken zou moeten worden van artikel 3.27, tweede lid, van de Wsf 2000.

4.4.1.

Gelet op de door RSR beschreven procedure van stopzetten bij de ophaalautomaat is het uiterst onwaarschijnlijk dat, zoals appellant stelt, op het scherm van de ophaalautomaat op

14 januari 2013 een melding is verschenen dat het reisproduct was stopgezet. Want in het proces van stopzetten verschijnt de melding dat het reisproduct is verwijderd pas op het scherm nadat het reisproduct daadwerkelijk van de OV-chipkaart is verwijderd en ter zake een transactie is aangemaakt. Er kan dan hooguit sprake zijn van een zogeheten transactiegap (voor zover hier van belang het niet administratief verwerken van een verrichte handeling). Dat kan bij appellant niet het geval geweest zijn, want dan kon het reisproduct door hem niet op

18 maart 2013 worden stopgezet. Nu appellant verder geen bewijs heeft geleverd voor zijn stelling, wordt niet aannemelijk geacht dat op 14 januari 2013 een melding stopzetting op het scherm van de ophaalautomaat is verschenen. De omstandigheid dat appellant na

14 januari 2013 geen gebruik meer heeft gemaakt van zijn reisproduct leidt niet tot een ander oordeel, omdat dit niets zegt over het op juiste wijze stopzetten van het reisproduct.

4.4.2.

Het betoog van appellant dat de ontstane schuld niet voor zijn rekening en risico dient te komen omdat de minister heeft nagelaten hem persoonlijk erop te wijzen dat hij moest controleren of de stopzetting daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, miskent de eigen verantwoordelijkheid van studerenden. Onder meer op de website van DUO en op www.studentenreisproduct.nl wordt de studerende door de minister en de vervoersbedrijven voldoende geïnformeerd over de bij het studentenreisproduct geldende rechten en plichten. Ook de mogelijkheid van controle van de stopzetting van het reisproduct wordt daar beschreven. Er is geen rechtsregel aanwijsbaar die de minister verplicht om studerenden persoonlijk te informeren dat zij moeten, dan wel kunnen, controleren of het reisproduct daadwerkelijk is stopgezet.

4.4.3.

Het betoog van appellant dat de minister zijn OV-schuld onnodig en onredelijk heeft laten oplopen, wordt evenmin gevolgd. De minister heeft binnen een redelijke termijn nadat hem na een bestandsvergelijking was gebleken dat appellant ten onrechte over een reisproduct beschikte appellant hierover geïnformeerd. Het is dan ook niet zo dat de OV-schuld van appellant als gevolg van nalatigheid van de minister hoger is opgelopen dan noodzakelijk.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2018.

(getekend) J. Brand

(getekend) S.L. Alves

ew