Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2356

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-07-2018
Datum publicatie
02-08-2018
Zaaknummer
17/5763 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De uitkeringsspecificatie van 20 november 2016 is geen besluit is in de zin van de Awb. Herhaling van eerder genomen beslissing. Met betrekking tot de betaling tegemoetkoming arbeidsongeschikten wordt het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen geheel onderschreven. In wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, wordt geen aanleiding gezien anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Met betrekking tot de maandelijkse uitbetaling WIA-uitkering wordt het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen geheel onderschreven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5763 WIA, 17/5764 WIA, 17/5765 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

6 juli 2017, 17/291, 17/292 en 17/2085 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] , zonder vaste woon- of verblijfplaats (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 26 juli 2018

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2018. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman.

OVERWEGINGEN

17/5763 WIA (uitkeringsspecificatie)

1.1.

Appellante ontvangt van het Uwv een IVA-uitkering. Zij krijgt regelmatig een betaalspecificatie waarop is vermeld hoe het aan haar uit te betalen bedrag aan uitkering is vastgesteld.

1.2.

Bij brief van 20 november 2016 heeft het Uwv appellante een betaalspecificatie arbeidsongeschiktheidsuitkering over de maand november 2016 gestuurd. Uit deze specificatie blijkt onder meer dat de bruto-uitkering € 2.006,44 bedraagt, dat er naast loonheffing en inhouding SV-premies een bedrag van € 597,54 aan derden wordt uitbetaald en dat haar nettouitkering € 833,83 bedraagt.

1.3.Het door appellante tegen deze brief ingestelde bezwaar is door het Uwv bij besluit van

13 december 2016 (bestreden besluit 1) niet-ontvankelijk verklaard. Het Uwv heeft overwogen dat de betaalspecificatie van november 2016 niet gezien kan worden als een besluit, omdat er geen feiten in vermeld staan die anders zijn dan in de specificaties over de maanden voorafgaande aan november 2016. Dit betekent volgens het Uwv dat de specificatie geen rechtsgevolgen heeft.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante in essentie gelijke gronden aangevoerd als in bezwaar en beroep.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een besluit een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Op grond van artikel 7:1 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:1 van de Awb, staat bezwaar en beroep slechts open tegen besluiten.

4.2.

De Raad heeft eerder overwogen (bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 8 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2313) dat aan elke (meestal: maandelijkse) betaling van salaris of uitkering een besluit tot zodanige betaling ten grondslag ligt. Wanneer een ander daartoe strekkend geschrift van het bestuursorgaan ontbreekt, kan dit besluit zichtbaar worden in een salaris- of uitkeringsspecificatie. Daartegen staat dan in beginsel het rechtsmiddel van bezwaar open. De rechtmatigheid van een eerder genomen besluit waarbij over de grondslag van periodiek te betalen salaris of uitkering is beslist, kan niet bij elke betaling opnieuw aan de orde worden gesteld als er in de periodieke betaling geen wijziging optreedt. Dan is in het algemeen slechts sprake van een herhaling van de eerder genomen beslissing. Zo’n herhaling is niet gericht op enig rechtsgevolg dat niet reeds door de oorspronkelijke beslissing tot stand was gebracht en kan om die reden niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

4.3.

Vastgesteld wordt dat uit de uitkeringsspecificaties over de maanden juli 2016 tot en met oktober 2016 blijkt dat appellantes uitkering wat betreft hoogte van de (af te dragen) bedragen gelijk zijn aan de uitkeringsspecificatie over de maand november 2016. De uitkeringsspecificatie van 20 november 2016 is dan ook geen besluit is in de zin van de Awb.

4.4.

Het hoger beroep van appellante slaagt niet. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar terecht ongegrond verklaard.

17/5764 WIA (betaling tegemoetkoming arbeidsongeschikten)

5.1.

Bij besluit van 18 september 2016 heeft het Uwv aan appellante een tegemoetkoming arbeidsongeschikten van € 212,06 netto toegekend voor het jaar 2016.

5.2.

Het tegen dit besluit ingestelde bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 13 december 2016 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.

6. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de wettelijke grondslag voor de toekenning van de tegemoetkoming arbeidsongeschikten is neergelegd in artikel 63a van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het vijfde lid van dit artikel bepaalt dat het Uwv de tegemoetkoming ambtshalve verstrekt. De beroepsgrond van appellante dat het besluit van

18 september 2016 en bestreden besluit 2 niet door het bevoegde orgaan zijn genomen, slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. De rechtbank heeft verder nog overwogen dat op grond van artikel 63a, zesde lid, van de Wet WIA de tegemoetkoming arbeidsongeschikten niet vatbaar is voor beslag. Voor het Uwv is er geen wettelijke verplichting om deze tegemoetkoming arbeidsongeschikten apart op te nemen op de jaaropgave, om aldus duidelijk te maken dat die tegemoetkoming niet voor beslag vatbaar is.

7.1.

In hoger beroep heeft appellante in essentie gelijke gronden aangevoerd als in beroep.

7.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

8. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

8.1.

Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden geheel onderschreven. In wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, wordt geen aanleiding gezien anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Het hoger beroep van appellante slaagt niet.

17/5765 WIA (maandelijkse uitbetaling uitkering)

9. Bij besluit van 7 maart 2017 (bestreden besluit 3) heeft het Uwv onder verwijzing naar artikel 67, eerste lid, van de Wet WIA afwijzend beslist op het verzoek van appellante om haar uitkering wekelijks uit te betalen.

10. De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard om te oordelen over bestreden besluit 3. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat het bezwaarschrift van appellante ten onrechte is doorgezonden als beroepschrift en dat het Uwv ter zitting te kennen heeft gegeven dat de brief van appellante van 22 maart 2017 nog behandeld zal worden als bezwaarschrift.

11.1.

In hoger beroep heeft appellante in essentie gelijke gronden aangevoerd als in beroep.

11.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

12. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

12.1.

Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden geheel onderschreven. De rechtbank heeft zich terecht onbevoegd verklaard om van het geschil over de betalingsperiode kennis te nemen. Het hoger beroep van appellante slaagt niet.

Alle hoger beroepen

13. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2018.

(getekend) M. Greebe

(getekend) H. Achtot

ew