Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2353

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-08-2018
Datum publicatie
02-08-2018
Zaaknummer
17/1050 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de (mogelijk) verleende en betaalde zorg kan worden gekwalificeerd als AWBZ-zorg. Nu niet duidelijk is geworden dat appellant (een deel van) zijn pgb heeft besteed aan AWBZ-zorg, is het op nihil vaststellen van het pgb geenszins onredelijk. Geen bijzondere omstandigheden om van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1050 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

20 december 2016, 16/2477 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (Zorgkantoor)

Datum uitspraak: 1 augustus 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft N. Verheij, wettelijk vertegenwoordiger, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2018. Voor appellant zijn verschenen Verheij en [naam 1] . Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.H.D. Saro.

OVERWEGINGEN

1.1.

Het Zorgkantoor heeft aan appellant op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) voor het jaar 2013 een persoonsgebonden budget (pgb) van € 5.447,- (netto) verleend voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).

1.2.

Op 21 augustus 2013 heeft appellant over de eerste helft van 2013 een verantwoordingsformulier ingediend. Op dit formulier is vermeld dat € 2.598,20 is besteed aan begeleiding individueel, verleend door [naam 2] .

1.3.

Bij besluit van 28 juli 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 maart 2016 (bestreden besluit), heeft het Zorgkantoor de verantwoording van de besteding van het pgb over de eerste helft van 2013 afgekeurd. Hieraan ligt ten grondslag dat de administratie niet compleet is en dat uit de door appellant verstrekte informatie is gebleken dat een aanzienlijk gedeelte van de door [naam 2] verleende zorg geen AWBZ-zorg betreft en dat van de overige door [naam 2] verleende zorg niet duidelijk is of het om AWBZ-zorg gaat.

1.4.

Bij besluit van 1 juli 2017 heeft het Zorgkantoor het pgb voor het hele jaar 2013 vastgesteld op nihil en een bedrag van € 5.447,- van appellant teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat appellant niet heeft voldaan aan de aan de verlening van het pgb verbonden (administratieve) verplichtingen. De rechtbank is niet toegekomen aan de vraag of de verleende zorg als ABWZ-zorg kan worden aangemerkt.

3. Appellant heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat de rechtbank heeft geoordeeld in drie zaken die betrekking hebben op de aan hem en zijn broer verstrekte pgb’s. Naar zijn opvatting betreft het volstrekt gelijke zaken. Appellant acht het onbegrijpelijk dat in twee van de drie zaken de beroepen ongegrond en in één zaak het beroep gegrond is verklaard. Voorts heeft appellant aangevoerd dat zowel hij als het Zorgkantoor fouten heeft gemaakt. Hij acht het onterecht dat hij op zijn fouten wordt afgerekend en de fouten van het Zorgkantoor geen rol spelen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In de uitspraken van 14 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4641 en ECLI:NL:CRVB:2016:4642, en van 5 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2379, heeft de Raad uiteengezet hoe het wettelijk systeem voor de verlening, verantwoording en vaststelling van een pgb op grond van de AWBZ moet worden begrepen. Uit deze uitspraken volgt dat het Zorgkantoor met de brief van 28 juli 2014, inhoudende een afkeuring van de verantwoording, een buitenwettelijke beslissing heeft genomen en dat het bestreden besluit in zoverre geacht wordt deel uit te maken van het vaststellingsbesluit van 1 juli 2017. Omwille van de duidelijkheid zal de Raad de gehele aangevallen uitspraak vernietigen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het besluit van 1 juli 2017 beoordelen.

4.2.1.

Artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rsa verplicht de verzekerde het pgb uitsluitend te gebruiken voor de betaling van zorg als bedoeld in artikel 1.1.1, aanhef en

onder j of k, van de Rsa en de betaling van bemiddelingskosten.

4.2.2.

Ingevolge artikel 2.6.13, tweede lid, van de Rsa wordt na afloop van iedere subsidieperiode de subsidie voor de desbetreffende subsidieperiode vastgesteld.

4.2.3.

Op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de subsidie lager worden vastgesteld indien de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

4.2.4.

Op grond van artikel 4:95, vierde lid, tweede volzin, van de Awb kunnen onverschuldigd betaalde voorschotten worden teruggevorderd.

4.3.

Het besluit van 1 juli 2017 moet worden aangemerkt als een vaststellingsbesluit als bedoeld in artikel 2.6.13, tweede lid, van de Rsa en artikel 4:46 van de Awb. Dit besluit moet ook worden aangemerkt als een terugvorderingsbesluit als bedoeld in artikel 4:95 van de Awb.

4.4.

Appellant heeft erkend niet te hebben voldaan aan (een deel van) de verplichtingen die bij de verlening van het pgb aan hem zijn gesteld. Zo heeft hij bijvoorbeeld een deel van het pgb contant aan de zorgverlener betaald en zijn betalingen verricht zonder dat daaraan declaraties vooraf waren gegaan. Dat betekent dat het Zorgkantoor in beginsel bevoegd was het pgb lager vast te stellen dan het bij de verlening bepaalde bedrag. Uit vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635) vloeit voort dat bij die lagere vaststelling een belangenafweging moet worden gemaakt, die niet mag leiden tot een voor de budgethouder onevenredige uitkomst. Bij die afweging moet worden gekeken naar het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichting en de gevolgen van de verlaging voor de ontvanger, waarbij tevens de ernst van de tekortkoming en de mate waarin deze aan de ontvanger kan worden verweten van belang is. Het is in dit kader aan de budgethouder om aannemelijk te maken dat ondanks dat door hem niet aan de verplichtingen vorenbedoeld is voldaan er AWBZ-zorg is verleend, alsmede wat de omvang van deze zorg is geweest en dat deze zorg is betaald.

4.5.

In het zorgplan is vermeld dat [naam 2] appellant en zijn broer op maandag na school gedurende zes uren opvangt. De overige zeven uren worden op de maandag per kind afgesproken. De begeleiding wordt ingezet bij het plannen en maken van huiswerk en het maken van afspraken over wat er verder op de dag wordt gedaan. Daarbij wordt, zo is vermeld – op de maandag – structuur geboden bij verschillende dagactiviteiten en worden deze ondersteund.

4.6.1.

Uit het onder 4.5 weergegeven zorgplan wordt onvoldoende duidelijk hoe de zorg aan appellant werd vormgegeven en wat de werkzaamheden en de werkwijze van de zorgverlener concreet inhielden. Deze onduidelijkheden zijn in de loop van de procedure niet weggenomen. Noch met de toelichting in de stukken, noch met de toelichting ter zitting is voldoende inzicht gegeven in de verleende zorg, de omvang daarvan en de concreet daaraan te koppelen betalingen.

4.6.2.

Ook de zorgovereenkomst, die achteraf is opgesteld, en de twee op 2014 betrekking hebbende declaraties bieden niet voldoende houvast voor de beoordeling van de vraag of AWBZ-zorg is verleend en betaald. Datzelfde geldt voor de bankafschriften, waarop betalingen aan de zorgverlener voorkomen die zijn gedaan door het bedrijf van de wettelijk vertegenwoordiger van appellant, met als omschrijvingen “salaris [maand] [horeca-inrichting] , welke omschrijvingen op de afschriften ook voorkomen bij betalingen aan (andere) werknemers van de horeca-inrichting [horeca-inrichting] . Van andere girale betalingen is niet gebleken.

4.7.

Dit betekent dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de (mogelijk) verleende en betaalde zorg kan worden gekwalificeerd als AWBZ-zorg. Dat de door de zorgverlener verrichte activiteiten vanuit het perspectief van appellant kwalitatief in orde zijn, doet aan het voorgaande niet af.

4.8.

Het standpunt van appellant dat het onbegrijpelijk is dat de uitkomsten van de uitspraken van de rechtbank bedoeld in 3 verschillend zijn, treft geen doel. Het betreft, anders dan appellant meent, geen gelijke zaken. In de zaak die heeft geleid tot een gegrondverklaring van het beroep speelde, anders dan in de andere twee zaken, dat het Zorgkantoor bij de vaststelling van het pgb ten onrechte niet had betrokken dat de verantwoording over een deel van de periode door het Zorgkantoor reeds definitief was aanvaard.

4.9.

Het standpunt van appellant omtrent door het Zorgkantoor gemaakte fouten treft evenmin

doel. Het is de Raad niet kunnen blijken dat het Zorgkantoor fouten heeft gemaakt als gevolg

waarvan appellant met betrekking tot de wijze waarop de verantwoording van het hem verstrekte pgb dient te geschieden in verwarring is geraakt of heeft kunnen menen dat de wijze waarop hij heeft verantwoord voldoende inzichtelijk en voor het Zorgkantoor acceptabel zou zijn.

4.10.

Nu niet aannemelijk is dat AWBZ-zorg is verleend en betaald kan niet worden geoordeeld dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid tot de door hem gemaakte belangenafweging heeft kunnen komen. Nu niet duidelijk is geworden dat appellant

(een deel van) zijn pgb heeft besteed aan AWBZ-zorg, is het op nihil vaststellen van het pgb geenszins onredelijk.

4.11.

Nu het Zorgkantoor van zijn bevoegdheid tot het op nihil vaststellen van het pgb gebruik heeft gemaakt, heeft het Zorgkantoor aan appellant onverschuldigd een bedrag van € 5.447,- aan voorschotten betaald. Het Zorgkantoor is, behoudens bijzondere omstandigheden, ook bevoegd tot terugvordering daarvan over te gaan.

4.12.

Van bijzondere omstandigheden als bedoeld onder 4.11 is uit de stukken niet gebleken. Ter zitting heeft appellant nog aangevoerd dat de terugvordering hem in (extra) financiële problemen brengt. Appellant heeft deze grond niet onderbouwd, zodat daarin reeds daarom geen aanleiding wordt gezien voor vernietiging van de aangevallen uitspraak op deze grond. Daarbij komt dat appellant voor de terugbetaling een betalingsregeling kan treffen. Bovendien moet het Zorgkantoor bij de invordering met de beslagvrije voet rekening houden.

4.13.

Uit wat is overwogen onder 4.5 tot en met 4.12 volgt dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond moet worden verklaard.

5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    bepaalt dat het Zorgkantoor aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2018.

(getekend) J. Brand

(getekend) J.R. Trox

LO