Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2351

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-08-2018
Datum publicatie
02-08-2018
Zaaknummer
17/3518 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening omdat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Het Zorgkantoor was in beginsel bevoegd om het verzoek van appellante af te wijzen. De keuze om het verzoek niet inhoudelijk te beoordelen kan niet als evident onredelijk worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3518 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

24 april 2017, 16/2814 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

Stichting Zorgkantoor Menzis (Zorgkantoor)

Datum uitspraak: 1 augustus 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.S. Visser, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Visser. Het Zorgkantoor heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 2 april 2014 is aan [naam zoon] , de minderjarige zoon van appellante, op grond van de Regeling subsidies AWBZ voor het jaar 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend van € 41.473,67.

1.2.

Bij besluit van 12 mei 2015 heeft het Zorgkantoor het toegekende pgb per 1 juli 2014 ingetrokken en een bedrag van € 15.181,84 teruggevorderd.

1.3.

Bij brief van 21 oktober 2015 heeft appellante tegen het besluit van 12 mei 2015 bezwaar gemaakt.

1.4.

Bij besluit van 23 december 2015 heeft het Zorgkantoor het bezwaar niet‑ontvankelijk verklaard, omdat het niet tijdig is ingediend.

1.5.

Op 18 april 2016 heeft appellante verzocht om herziening van het besluit van 12 mei 2015.

1.6.

Bij besluit van 28 april 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 juli 2016 (bestreden besluit), heeft het Zorgkantoor het verzoek om herziening afgewezen. Het Zorgkantoor heeft zich op het standpunt gesteld dat appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat het besluit van 12 mei 2015 daarom niet wordt herzien.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Zorgkantoor zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Naar het oordeel van de rechtbank was het Zorgkantoor in beginsel daarom bevoegd om het verzoek van appellante af te wijzen. De keuze om het verzoek niet inhoudelijk te beoordelen kan volgens de rechtbank ook niet als evident onredelijk worden aangemerkt.

3. Appellante heeft – voor zover nu nog van belang – in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank bij de beoordeling van de vraag of sprake is van evidente onredelijkheid als bedoeld in de uitspraak van de Raad van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872, ten onrechte heeft beoordeeld aan de hand van de criteria die door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn ontwikkeld voordat de rechtspraak inzake de toepassing van artikel 4:6 van de Awb eind 2016 werd gewijzigd. Het nieuwe criterium “evident onredelijkheid” is minder zwaar en belastend dan het “oude”, door de rechtbank gehanteerde, criterium. Appellante meent dat de (financiële) belangenafweging in haar voordeel had behoren uit te vallen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Uitgangspunt is dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan er ingevolge artikel 4:6, tweede lid, van de Awb ook nog steeds voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, de herhaalde aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Hetzelfde geldt, als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een besluit.

4.2.

Als het bestuursorgaan – overeenkomstige – toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, dan toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat afwijzing van de aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, niet aanwezig zijn. Dat betekent dat het geschil in de voorliggende zaak beperkt is tot de vraag of de afwijzing van het verzoek om terug te komen van het besluit van 12 mei 2015 evident onredelijk is.

4.4.

Voor dat oordeel ziet de Raad in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanleiding. Dat appellante in 2015 – naar eigen zeggen – beschikte over de juiste stukken om het pgb te verantwoorden, maar dat zij door moeilijke privéomstandigheden niet in staat was die tijdig in te zenden, is niet voldoende. Overigens is, zoals in verweer door het Zorgkantoor is aangegeven, de bij het verzoek van 18 april 2016 meegezonden verantwoording van het pgb van appellante niet compleet, waardoor ook toen niet (onmiddellijk) kon worden vastgesteld welke zorg uit het pgb is betaald, en dus ook niet of het besluit van 12 mei 2015 in zoverre onjuist was. De omstandigheid dat er een schuld is ontstaan die appellante aan het Zorgkantoor moet voldoen, leidt niet tot een ander oordeel.

4.5.

De rechtbank is tot datzelfde oordeel gekomen, zij het, zoals appellante terecht heeft betoogd, aan de hand van een gedeeltelijk onjuist toetsingskader. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze rust.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2018.

(getekend) J. Brand

(getekend) S.L. Alves

KS