Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2330

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-07-2018
Datum publicatie
06-08-2018
Zaaknummer
16/5256 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toepassing kostendelersnorm op vader en dochter. Dochter behoort niet tot categorie personen op wie uitzondering van commerciële huurrelatie van toepassing is. Geen schending discriminatieverbod. Inmenging in eigendomsrecht is legitiem.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/222
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5256 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

22 juli 2016, 15/3367 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Roerdalen (college)

Datum uitspraak: 17 juli 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.P. van der Beek-Verdoorn hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2018. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.J.A.M. Gielen, mr. N. Romans en D. Mooren.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt vanaf 22 april 2009 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW). Appellante heeft haar hoofdverblijf in dezelfde woning als haar vader [naam vader] .

1.2.

Bij besluit van 23 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 oktober 2015 (bestreden besluit), heeft het college met toepassing van de in artikel 22a, eerste lid,

van de PW opgenomen kostendelersnorm de bijstand van appellante met ingang van

1 juli 2015 verlaagd tot een bedrag van € 687,59 per maand, zijnde 50% van het wettelijk minimumloon. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de woning op het uitkeringsadres deelt met nog één persoon, die meetelt voor de bepaling van de kostendelersnorm.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met ingang van 1 januari 2015 is de PW in de plaats gekomen van de Wet werk en bijstand en is met artikel 22a van de PW de kostendelersnorm ingevoerd. In deze zaak is de tekst van deze bepaling zoals die luidde tot 1 januari 2016 van toepassing. Volgens het

eerste lid van deze bepaling is, indien de belanghebbende met één of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, de norm per kalendermaand voor de belanghebbende behoudens de uitzonderingssituaties zoals genoemd in het derde en

vierde lid: ((40% + A × 30%) / A) × B. Hierbij staat A voor het totaal aantal meerderjarige personen dat in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en B voor de rekennorm als bedoeld in het tweede lid.

4.2.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3870), heeft de wetgever met de introductie van de kostendelersnorm beoogd dat bij de vaststelling van de toepasselijke bijstandsnorm direct rekening wordt gehouden met de voordelen van het kunnen delen van de kosten met één of meer personen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben.

4.3.

Appellante voert aan dat de kostendelersnorm in haar geval niet van toepassing is, omdat bij de bepaling van de bijstand haar vader buiten beschouwing moet worden gelaten. Zij deelt met hem geen kosten, haar vader heeft geen wettelijke onderhoudsplicht tegenover haar en zij voert met hem ook geen gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3 van de PW. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.3.1.

Artikel 22a van de PW is dwingendrechtelijk van aard en biedt, behoudens de uitzonderingssituaties die zijn opgenomen in het derde en vierde lid van dit artikel, geen ruimte voor afwijking dan wel het buiten toepassing laten van de kostendelersnorm. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 juni 2017 ECLI:NL:CRVB:2017:2385), is niet van belang of de kosten feitelijk gedeeld kunnen worden. Daaraan doet niet af dat de vader van appellante geen wettelijke onderhoudsplicht jegens haar heeft en als bloedverwant in de eerste graad, gelet op artikel 2, eerste lid, van de PW geen gezamenlijke huishouding voert met appellante. De wetgever heeft er uitdrukkelijk voor gekozen om de kostendelersnorm ook van toepassing te laten zijn op personen die een woning delen met een bloedverwant in de eerste of tweede graad.

4.4.

Het vierde lid, aanhef en onder b, van artikel 22a van de PW luidde tot 1 januari 2016 als volgt: “Tot de personen, bedoeld in het eerste lid, worden niet gerekend: de persoon, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van belanghebbende, die op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft.”

4.5.

Niet in geschil is dat appellante een woning deelt met haar vader. Evenmin is in geschil dat zij met haar vader een schriftelijke huurovereenkomst had gesloten, waarbij een commerciële huurprijs was overeengekomen. Appellante behoort echter niet tot de categorie personen op wie de in artikel 22a, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW opgenomen uitzondering op de kostendelersnorm van toepassing is, zodat zij geen beroep kan doen op deze uitzondering.

4.6.

Appellante heeft de beroepsgrond, dat deze beperking van de uitzonderingsbepaling discriminatie oplevert van haar als woningdeler ten opzichte van woningdelers die op basis van een zakelijke huurovereenkomst de woning delen met personen die niet bloedverwant in de eerste of tweede graad zijn, onderbouwd met een beroep op artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.6.1.

Appellante heeft dezelfde beroepsgrond ook in beroep aangevoerd. De rechtbank is hierop in de aangevallen uitspraak gemotiveerd ingegaan. Het oordeel van de rechtbank houdt, verkort weergegeven, in dat het onderscheid waarop appellante doelt in het licht van het EVRM gerechtvaardigd is. Appellante heeft geen redenen naar voren gebracht op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat het oordeel van de rechtbank hierover onjuist is. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank. Zoals de Raad in een vergelijkbare zaak heeft overwogen (uitspraak van 1 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2016:3877), dient het gemaakte onderscheid namelijk een legitiem doel, dat blijkens de wetsgeschiedenis is gelegen in fraudebestrijding, en is het middel - de beperking van de in artikel 22a, vierde lid,

aanhef en onder b, van de PW opgenomen uitzondering tot personen die niet

bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad zijn - niet onevenredig aan dat doel. Vergelijk de uitspraak van 10 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3451.

4.7.

Appellante heeft de beroepsgrond dat de toepassing van de kostendelersnorm een schending van haar eigendomsrecht oplevert aldus toegelicht dat de verlaging van de bijstand is aan te merken als een ontneming van eigendom die, gelet op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (EP), niet gelegitimeerd is. Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals de Raad in zijn uitspraken van 1 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3872 en ECLI:NL:CRVB:2016:3873, heeft overwogen, is bij toepassing van de kostendelersnorm weliswaar sprake van inmenging in het eigendomsrecht, maar is deze inmenging bij wet voorzien en ligt daaraan een legitieme doelstelling in het algemeen belang ten grondslag. De vraag of sprake is van een voor een gerechtvaardigde inmenging in het eigendomsrecht vereist proportioneel middel, dan wel of toepassing van de kostendelersnorm tot een buitensporig zware last leidt, moet, zoals blijkt uit voormelde uitspraken, individueel worden beoordeeld. Het college heeft ter zitting laten weten die individuele beoordeling te hebben gemaakt en heeft geconcludeerd dat in het geval van appellante geen sprake is van een buitensporig zware last. Het college heeft daarbij gewezen op het feit dat appellante niet rood staat op haar bankrekening, een eigen auto heeft en al enige jaren naast bijstand ook een jaarlijkse bonus van € 250,- in het kader van het minimabeleid en een vergoeding voor haar werkzaamheden als secretaris van de cliëntenraad ontvangt. Appellante heeft hier tegenover niet aan de hand van verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat toepassing van de kostendelersnorm in haar geval leidt tot een buitensporig zware last.

4.8.

Appellante heeft aangevoerd dat zij door de toepassing van de kostendelersnorm in armoede is komen te verkeren, zodat zij geen behoorlijke levensstandaard heeft, en dat daardoor haar levensomstandigheden zijn afgenomen. Zij heeft in dit verband een beroep gedaan op de sociale grondrechten die zijn neergelegd in artikel 20 van de Grondwet en in diverse internationaalrechtelijke bepalingen, te weten artikel 34 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest), Artikel 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR), de artikelen 22 en 25 van de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens (UVRM) en de artikelen 12 tot en met 14 van het Europees Sociaal Handvest (ESH). Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.8.1.

Evenmin als in beroep heeft appellante in hoger beroep aannemelijk gemaakt dat in haar geval de toepassing van de kostendelersnorm meebrengt dat zij geen behoorlijke levensstandaard heeft en haar levensomstandigheden zijn afgenomen. Zij heeft daarvoor geen begin van bewijs geleverd. Mede gelet op dat wat onder 4.7 is overwogen en in aanmerking genomen dat appellante kosten kan delen met haar vader, met wie zij de woning deelt, heeft appellante evenmin aannemelijk gemaakt dat zij niet in de noodzakelijke kosten van het bestaan kan voorzien. Het beroep op artikel 20 van de Grondwet en op de overige onder 4.8 genoemde bepalingen, voor zover daaraan in een context als de onderhavige al (rechtstreekse) werking toekomt, stuit hierop reeds af.

4.9.

Uit 4.2 tot en met 4.8.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en A. Stehouwer en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2018.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) C.A.E. Bon

LO