Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2328

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
06-08-2018
Zaaknummer
16/6148 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Einduitspraak na tussenuitspraak. Gebrek niet hersteld. Hoger beroep slaagt, veroordeling proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6148 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

27 juni 2016, 16/2100 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 24 juli 2018

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 12 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4261, een tussenuitspraak gedaan (tussenuitspraak).

Bij brief van 5 juli 2018 heeft de Svb de Raad bericht dat het niet mogelijk is nader onderzoek te doen.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.

Vervolgens is met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, afgezien van een nader onderzoek ter zitting, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak. Hij volstaat met het volgende.

2. In zijn tussenuitspraak heeft de Raad ‒ samengevat ‒ het volgende overwogen. Aan het bestreden besluit van 11 februari 2016 ligt een rapport van 1 oktober 2014 (rapport) van de Attaché voor Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade in Rabat, Marokko (Attaché) ten grondslag. De in dit rapport neergelegde onderzoeksbevindingen bieden onvoldoende feitelijke grondslag voor het in het bestreden besluit neergelegde standpunt dat appellant al sinds ongeveer vijf jaar eigenaar is van een woning op het adres [adres] , Marokko (woning). Daarbij is van belang dat uit het rapport weliswaar volgt dat de plaatselijke autoriteiten in [gemeente] , te weten de Cheikh en de Mokademm, en twee buurmannen van de woning hebben verklaard dat appellant sinds ongeveer vijf jaar eigenaar is van de woning, maar uit het rapport niet blijkt waarop zij die wetenschap baseren. De Svb heeft met de feitelijke bevindingen uit het rapport dan ook niet aannemelijk gemaakt dat appellant in de te beoordelen periode, die loopt van 1 juli 2012 tot en met 30 november 2014, kon beschikken over de woning. Dit brengt met zich mee dat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft. Omdat niet was uitgesloten dat de Svb dit gebrek kon herstellen door het verrichten van nader onderzoek, heeft de Raad met toepassing van artikel 8:51d van de Awb de Svb opgedragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen en daartoe een termijn van twaalf weken gesteld.

3. Op verzoek van de Svb is de termijn om het gebrek te herstellen verlengd, laatstelijk tot

13 juli 2018. Bij brief van 5 juli 2018 heeft de Svb te kennen gegeven dat zij van de Attaché het bericht hebben ontvangen dat het doen van nader onderzoek in Marokko niet mogelijk is.

4. Uit de brief van 5 juli 2018 volgt dat de Svb niet in staat is uitvoering te geven aan de in de tussenuitspraak neergelegde opdracht. Dit brengt met zich mee dat de Svb het gebrek in het bestreden besluit niet heeft hersteld. Op grond van wat in de tussenuitspraak is overwogen slaagt het hoger beroep en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, en artikel 3:2 van de Awb. Tevens ziet de Raad aanleiding het besluit van 30 juli 2015 te herroepen aangezien aan dit besluit hetzelfde gebrek kleeft als aan het bestreden besluit, en dit gebrek niet kan worden hersteld.

5. Aanleiding bestaat de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in bezwaar, € 1.002,- in beroep en op € 1.002,- in hoger beroep, in totaal € 3.006,-, voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 11 februari 2016 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    herroept het besluit van 30 juli 2015;

  • -

    veroordeelt de Svb in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.006,-;

  • -

    bepaalt dat de Svb aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van

J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2018.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) J.M.M. van Dalen

sg