Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2318

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2018
Datum publicatie
06-08-2018
Zaaknummer
16/5532 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Autohandel. Bijstand terecht ingetrokken en teruggevorderd in maanden waarin transacties hebben plaatsgevonden. Geen grondslag voor maand zonder transactie. Geen administratie. Recht op bijstand en bijzondere bijstand niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5532 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

14 juli 2016, 16/398 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen (college)

Datum uitspraak: 31 juli 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J. Weldam, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2018. Namens appellant is verschenen mr. Weldam. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door B.G. Aaftink en mr. drs. L.G. Hartman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 16 januari 2015 van het college bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Nadat op 16 juli 2015 bij het raadplegen van gegevens van de Dienst Wegverkeer (RDW) via Suwinet naar voren was gekomen dat in de periode van 3 februari 2015 tot en met

15 juli 2015 twaalf voertuigen een korte tijd, en in sommige periodes meerdere tegelijkertijd, op naam van appellant geregistreerd hadden gestaan, heeft een medewerker Zorg, Werk en Inkomen van de gemeente Haaksbergen (medewerker) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. De medewerker heeft appellant in dit kader bij brief van 16 juli 2015 verzocht een (deugdelijke) boekhouding of administratie met betrekking tot de aan- en verkoop van alle op zijn naam geregistreerde voertuigen vanaf

16 januari 2015 tot heden dan wel bewijsstukken van aan- en verkoop van al deze voertuigen te verstrekken. In afwachting van deze informatie heeft het college het recht op bijstand met ingang van 1 juli 2015 opgeschort. Appellant heeft op 22 juli 2015 een verklaring en kopieën van een aantal tenaamstellingen en vrijwaringsbewijzen overgelegd. Appellant heeft daarnaast op 27 juli 2015 een schriftelijke verklaring overgelegd over de koop- en verkoopsom van

vier auto’s en het in bruikleen hebben (gehad) van vijf voertuigen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 13 augustus 2015.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 12 augustus 2015 de bijstand in te trekken met ingang van 3 februari 2015 en bij besluit van 14 augustus 2015 de over de periode van 3 februari 2015 tot en met 30 juni 2015 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 4.687,48 van appellant terug te vorderen.

1.4.

Appellant heeft in de maanden mei, juni en juli 2015 zes aanvragen om bijzondere bijstand ingediend voor de kosten van rechtsbijstand en griffierecht.

1.5.

Bij besluit van 18 augustus 2015 heeft het college de aanvragen om bijzondere bijstand afgewezen op de grond dat deze aanvragen betrekking hebben op de periode waarin het recht op bijstand bij besluit van 12 augustus 2015 is ingetrokken.

1.6.

Bij besluit van 23 december 2015 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover hier van belang, de bezwaren tegen de in 1.3 en 1.5 genoemde besluiten ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college, samengevat, ten grondslag gelegd dat appellant in de periode van 3 februari 2015 tot en met 16 juli 2015 meerdere voertuigen op naam heeft gehad. Door hiervan geen melding te maken heeft appellant niet voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting. Appellant heeft voorts geen deugdelijke administratie dan wel bewijsstukken van aan- en verkoop verstrekt van alle op zijn naam geregistreerde voertuigen, als gevolg waarvan het recht op algemene en bijzondere bijstand over deze periode niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking en terugvordering

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 3 februari 2015 (de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken) tot en met 12 augustus 2015 (de datum van het intrekkingsbesluit).

4.2.

Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand is een belastend besluit waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. Het voorgaande betekent dat de vraag voorligt of het college aannemelijk heeft gemaakt dat appellant in de te beoordelen periode de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Daartoe is het volgende van belang.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 13 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2437) volgt uit kentekenregistraties, zoals hier aan de orde, de directe betrokkenheid van degene op wiens naam het voertuig geregistreerd staat of heeft gestaan. Zonder diens geldige legitimatiebewijs is een registratie op zijn naam immers niet mogelijk. Het voertuig kan vervolgens niet op naam van een derde worden geregistreerd zonder dat de betrokkene de door hem ontvangen tenaamstellingsdocumenten aan die derde ter beschikking heeft gesteld. Indien een persoon betrokken is geweest bij twee wijzigingen van de tenaamstelling van hetzelfde motorvoertuig binnen een betrekkelijk korte periode ten aanzien van diverse auto’s, dan is aannemelijk dat met betrekking tot die auto’s handelstransacties hebben plaatsgevonden. Bij tenaamstelling van een motorvoertuig ontstaat voor de betrokkene strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor verkeersboeten, een verzekeringsplicht en civiele aansprakelijkheid. Het is voorts een feit van algemene bekendheid dat tenaamstelling van een motorvoertuig op naam van een persoon vrijwel steeds samenvalt met diens (gedeeltelijk) gerechtigd zijn tot dat motorvoertuig en/of het gebruik ervan. Mede gelet hierop en de waarde die ook oude motorvoertuigen kunnen hebben, is met de hier aangeduide handelstransacties voor de persoon die bij beide transacties betrokken was, een aanzienlijk (financieel) belang gemoeid, ook in zijn relatie tot de eerdere en latere kentekenhouders. Daarom kan ervan worden uitgegaan dat zo een tussenpersoon in verband met de transacties inkomsten heeft ontvangen of redelijkerwijs heeft kunnen verwerven die van belang zijn voor het recht op bijstand. Los van de mogelijke waarde en daarmee de verkoopprijs van de motorvoertuigen zijn daarnaast ook eventuele werkzaamheden rond de aan- en verkoop daarvan

(zoals bemiddeling bij aankoop, reparaties, rijklaar maken, transport etc.) van belang alsmede de vergoeding die de betrokkene daarvoor heeft ontvangen of kon bedingen.

4.4.

Uit 1.2 volgt dat appellant herhaaldelijk direct betrokken is geweest bij twee wijzigingen van de tenaamstelling van hetzelfde motorvoertuig binnen een betrekkelijk korte periode

ten aanzien van diverse auto’s. Daarmee is aannemelijk dat appellant is opgetreden als tussenpersoon, zoals bedoeld in 4.3, bij handelstransacties ten aanzien van die auto’s. Immers, naar vaste rechtspraak (uitspraak van 29 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK8306) wordt de datum van de tweede wijziging van de tenaamstelling, namelijk met ingang waarvan de kentekenregistratie op naam van betrokkene is geëindigd, als datum gehanteerd waarop de voor het recht op bijstand relevante transactie heeft plaatsgevonden.

4.5.

Appellant had melding moeten maken van wijzigingen in de tenaamstellingen van de vermelde auto’s, aangezien deze gegevens, gelet op het voorgaande, onmiskenbaar van belang zijn voor de (voortzetting van de) bijstandsverlening. Appellant heeft van zijn herhaaldelijke directe betrokkenheid bij dit soort transacties geen melding gemaakt. Daarmee heeft het college aannemelijk gemaakt dat appellant de inlichtingenverplichting in verband met het bedrijven van autohandel heeft geschonden. De beroepsgrond dat het college bij aanvang van de bijstand bij appellant de verwachting heeft gewekt dat het op naam hebben van meerdere auto’s tegelijk, niet van belang is voor (de vaststelling van) het recht op bijstand, faalt. Blijkens de gedingstukken heeft appellant op het aanvraagformulier vermeld dat hij één auto had van het merk Opel. Ter controle hiervan heeft het college op 20 januari 2015 Suwinet geraadpleegd en geconstateerd dat appellant naast de Opel sinds 4 september 2014 ook een Peugeot op naam had staan. Naar aanleiding hiervan heeft het college bij appellant gegevens opgevraagd met betrekking tot de Peugeot. In reactie hierop heeft appellant voor de Peugeot een vrijwaringsbewijs van 31 januari 2015 overgelegd, wat betekent dat die auto vanaf die datum niet meer op naam van appellant stond. Gelet hierop mocht het college, zoals ook

de rechtbank heeft overwogen, ervan uitgaan dat appellant ten tijde van de aanvraag maar

één auto bezat. Dat hij nadien in de periode van 3 februari 2015 tot en met 9 februari 2015 naast de Opel ook een Volvo op naam had staan, heeft appellant niet bij het college gemeld.

4.6.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is aan betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de desbetreffende maanden recht op (aanvullende) bijstand zou hebben gehad.

4.7.

Appellant voert terecht aan dat uit de gegevens van de RDW niet blijkt dat in de maand april 2015 een transactie heeft plaatsgevonden. Gelet hierop heeft het college ten onrechte over die maand de verleende bijstand ingetrokken en teruggevorderd.

4.8.

Van de transacties die blijkens de gegevens van de RDW in de maanden februari, maart, mei, juni en juli 2015 hebben plaatsgevonden heeft appellant geen boekhouding of administratie bijgehouden en heeft hij evenmin stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid wat de aan- en verkoopwaarde van de desbetreffende auto’s is geweest. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld of appellant over die maanden recht had op (aanvullende) bijstand. Dat het volgens appellant slechts ging om oude auto’s met een lage restwaarde, kan bij gebrek aan een boekhouding of administratie niet worden geverifieerd. Appellant heeft slechts één aankoopnota overgelegd. Gegevens over de verkoop van de voertuigen, met gegevens over de daaruit ontvangen inkomsten, heeft hij niet overgelegd. Het standpunt van appellant, dat hij vijf voertuigen slechts in bruikleen had, heeft hij niet onderbouwd met verifieerbare gegevens. De door appellant ingebrachte ‘factuur’ van 22 juli 2015 van

Sloperij [A] die op naam is gesteld van appellant en alleen vermeldt dat drie nader aangeduide auto’s zijn uitgeleend waarvan twee reeds terug zouden zijn, is daartoe niet voldoende. De beroepsgrond dat geen grond bestaat voor het oordeel dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld over de maanden februari en maart 2015 omdat de Opel en de Volvo bij de aanvraag om bijstand bekend waren bij het college en niet in de weg stonden aan het toekennen van bijstand, slaagt niet. Uit 4.5 volgt dat het college niet op de hoogte was (gesteld) van het op naam hebben van de Volvo. Vaststaat dat de registraties bij de RDW van de Peugeot, de Volvo en de Opel na een korte duur van tenaamstelling, variërend van zeven dagen tot circa vijf maanden, zijn beëindigd in respectievelijk de maanden januari, februari en maart 2015. De transacties van zowel de Volvo als de Opel zijn, gelet hierop, passend binnen het patroon van de autohandel van appellant die feitelijk begon met de transactie van de Peugeot in januari 2015. Dat het college bij aanvang van de bijstand bekend was met de tenaamstelling van de Opel doet aan vorenstaand oordeel niet af.

4.9.

Uit 4.8 volgt dat het college verplicht was om de bijstand over de maanden februari, maart, mei, juni en juli 2015 in te trekken. Uit 4.7 volgt dat een grondslag om de bijstand over de maand april 2015 in te trekken, ontbreekt. Het besluit tot intrekking kan in zoverre dan ook geen stand houden. Hieruit volgt dat ook het besluit tot terugvordering, dat ondeelbaar is, geen stand kan houden.

Afwijzing bijzondere bijstand

4.10.

Appellant heeft gesteld dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanaf 3 februari 2015 recht had op algemene en bijzondere bijstand. Deze beroepsgrond slaagt niet. Vaststaat dat de in 1.4 vermelde aanvragen om bijzondere bijstand binnen de periode vallen waarin het recht op bijstand van appellant, gelet op 4.9 op goede gronden, is ingetrokken. Het college heeft dan ook terecht de aanvragen om bijzondere bijstand afgewezen op de grond dat het recht op bijstand niet is vast te stellen.

Conclusie

4.11.

Uit 4.9 volgt dat het hoger beroep slaagt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover het ziet op de intrekking van de bijstand over de maand april 2015 en op de terugvordering. Tevens bestaat aanleiding het besluit van 12 augustus 2015 te herroepen voor zover het ziet op de intrekking van de bijstand over de maand april 2015. Het college dient nog slechts, uitgaande van de maanden februari, maart, mei en juni 2015, de hoogte van de terugvordering opnieuw vast te stellen. De Raad kan deze berekening niet zelf maken. Daarom zal op dit punt een opdracht worden gegeven tot het nemen van een nieuwe beslissing op het bezwaar. Daarbij dient het college tevens te beslissen over het verzoek van appellant om vergoeding van schade bestaande uit de wettelijke rente over de ten onrechte teruggevorderde bijstand, voor zover appellant reeds tot terugbetaling is overgegaan. De Raad ziet, nu het nog slechts gaat om een financiële berekening, af van toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot finale geschillenbeslechting.

4.12.

Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen de door het college te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 501,- in bezwaar, € 501,- in beroep en € 1.002,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 23 december 2015 voor zover het ziet op de intrekking van de

bijstand over de maand april 2015 en op de terugvordering;

- herroept het besluit van 12 augustus 2015 voor zover het ziet op de intrekking van de

bijstand over de maand april 2015 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het

vernietigde deel van het besluit van 23 december 2015 voor zover het ziet op de intrekking van de bijstand;

- draagt het college op met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het

bezwaar te nemen ten aanzien van de terugvordering;

  • -

    bepaalt dat tegen het te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.004,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2018.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) F. Dinleyici

LO