Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2306

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-07-2018
Datum publicatie
30-07-2018
Zaaknummer
16/941 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partijen houdt verdeeld de vraag of de arbeidsongeschiktheid van appellante ook op en na 2 juli 2014 haar oorzaak vindt in zwangerschap en/of bevalling. Anders dan de rechtbank beantwoordt de Raad deze vraag bevestigend. Ook het Uwv gaat ervan uit dat de arbeidsongeschiktheid van appellante wordt veroorzaakt door een combinatie van aandoeningen. Onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad prevaleert in dat geval de ongeschiktheid ten gevolge van zwangerschap, in dit geval de rugpijn en de bekkenklachten, waarvan niet buiten twijfel staat dat zij voortvloeien uit een andere oorzaak dan de zwangerschap/bevalling van appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2018-0070
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 941 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

15 januari 2016, 15/1147 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 26 juli 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.M.H. Geubbels hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2018. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. K. Bolier.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als schoonmaakster, toen zij zich met ingang van

27 maart 2013 ziek meldde met klachten die verband hielden met haar zwangerschap. Ingaande 30 maart 2013 is het dienstverband van appellante geëindigd. Vanaf

9 september 2013 tot 19 februari 2014 heeft appellante een uitkering ontvangen op grond van de Wet arbeid en zorg. Appellante is aansluitend in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) in verband met bekkenklachten en rugklachten als direct gevolg van zwangerschap en/of bevalling. Nadien zijn bij appellante tevens psychische klachten ontstaan.

1.2.

In een rapport van 2 juli 2014 heeft een verzekeringsarts van het Uwv geconcludeerd dat appellante door een dissociatieve stoornis en aspecifieke chronische rugpijn tijdelijk geen benutbare mogelijkheden heeft, maar dat de oorzaak van deze ongeschiktheid niet is gelegen in de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap. Bij besluit van 8 juli 2014 heeft het Uwv de ZW-uitkering verlaagd van 100% naar 70% van het dagloon. Bij besluit van

21 januari 2015 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen dat besluit ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft zij – samengevat – de visie van de artsen van het Uwv gevolgd, dat de ongeschiktheid van appellante voor haar werkzaamheden vanaf 2 juli 2014 niet het gevolg is van de bevalling of de daaraan voorafgegane zwangerschap, maar van psychische klachten die de bekken- en rugklachten onderhouden.

3.1.

Appellante heeft, onder verwijzing naar de verzekeringsgeneeskundige richtlijn van het Uwv “Zwangerschap en bevalling als oorzaak van ongeschiktheid voor arbeid” (richtlijn) en de uitspraak van de Raad van 28 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:267) onder meer betoogd dat bij een combinatie van oorzaken van arbeidsongeschiktheid de arbeidsongeschiktheid als gevolg van zwangerschap prevaleert. Zij heeft gesteld dat zij vanaf 2 juli 2014 recht heeft op een ZW-uitkering, gebaseerd op een dagloon van 100%, omdat haar ongeschiktheid rechtstreeks het gevolg is van uit de zwangerschap en bevalling voortkomende bekkenklachten. Dat deze klachten in stand worden gehouden door de psychische klachten neemt niet weg dat zij hun oorsprong vinden in de zwangerschap en bevalling.

3.2.

Het Uwv heeft in hoger beroep het standpunt gehandhaafd dat de bekken- en rugklachten van appellante door de psychische klachten in stand worden gehouden en heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat de arbeidsongeschiktheid een direct gevolg moet zijn van de zwangerschap en/of bevalling wil aanspraak kunnen worden gemaakt op een uitkering ter hoogte van het dagloon ingevolge artikel 29a van de ZW (zie onder meer de uitspraken van 23 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9302 en van 24 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8634). Uit eveneens vaste rechtspraak van de Raad (zie de uitspraak van 28 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:267) volgt dat indien causaal verband niet wordt aangenomen het buiten twijfel moet staan dat de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid zijn oorzaak niet (mede) vindt in de zwangerschap.

4.2.

Partijen houdt verdeeld de vraag of de arbeidsongeschiktheid van appellante ook op en na 2 juli 2014 haar oorzaak vindt in zwangerschap en/of bevalling. Anders dan de rechtbank beantwoordt de Raad deze vraag bevestigend. Hij overweegt daartoe het volgende.

4.3.

Appellante ondervond al voor haar (laatste) zwangerschap rug- en bekkenklachten. Deze klachten zijn tijdens haar zwangerschap verergerd en juist die klachten vormden in het medisch rapport van 17 februari 2014 reden om, vanuit de diagnose bekkeninstabiliteit, beperkingen aan te nemen voor rugbelastende taken/werkzaamheden. Het Uwv heeft dus aanvankelijk en na medisch onderzoek aannemelijk geacht dat de rug- en bekkenklachten hun oorzaak vonden in de zwangerschap en bevalling van appellante.

4.4.

In het rapport van 2 juli 2014 beschouwt de arts van het Uwv de bekkenklachten in verband met het tijdsverloop fysiologisch gezien hersteld en gaat hij uit van aspecifieke lage rugklachten. De arbeidsongeschiktheid heeft volgens de arts een gecombineerde oorzaak, maar de psychische beperkingen leggen het meeste gewicht in de schaal. De verzekeringsarts bezwaar en beroep meldt in zijn rapport van 22 januari 2015 dat de testen ter bepaling van bekkeninstabiliteit niet goed zijn uit te voeren gezien de enorme spierspanning die appellante heeft en de daarmee voor haar gepaard gaande pijnklachten. Vervolgens heeft deze arts geconcludeerd dat het niet aannemelijk is dat de rugklachten zo lang na de bevalling nog een overtuigend gevolg van bekkeninstabiliteit zijn. Hij acht het “meer waarschijnlijk dat er een andere oorzaak is voor de ervaren klachten”.

4.5.

Deze woordkeuze van de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar aanleiding van de medische beoordeling stelt niet buiten twijfel dat de rugklachten van appellante voortvloeien uit een andere ziekteoorzaak dan de zwangerschap/bevalling. Dit blijkt evenmin uit de brief van de fysiotherapeut van 15 december 2014 waarin wordt vermeld dat appellante vanaf 20 weken graviditeit bekkenklachten ervaart welke post-partum persisteren, en dat appellante behandeld is volgens de richtlijn zwangerschapsgerelateerde bekkenpijn. Daarnaast gaat ook het Uwv ervan uit dat de arbeidsongeschiktheid van appellante wordt veroorzaakt door een combinatie van aandoeningen, namelijk een dissociatieve stoornis, rugpijn aspecifiek chronisch en bekkenklachten. Zoals ook in de uitspraak van de Raad van 15 maart 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1034) met verwijzing naar punt 4.2.2 van de richtlijn is overwogen, prevaleert in dat geval de ongeschiktheid ten gevolge van zwangerschap, in dit geval de rugpijn en de bekkenklachten, waarvan niet buiten twijfel staat dat zij voortvloeien uit een andere oorzaak dan de zwangerschap/bevalling van appellante.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit moeten worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak worden voorzien door het besluit van 8 juli 2014 te herroepen. Daaruit volgt dat appellante per 2 juli 2014 onveranderd recht heeft op een ZW-uitkering ter hoogte van 100% van het dagloon.

5. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor verleende rechtsbijstand begroot op € 1.002,- in bezwaar, € 1.002,- in beroep en € 501,- in hoger beroep, in totaal € 2.505,-. Voorts wordt aanleiding gezien het Uwv te veroordelen in de in bezwaar gemaakte kosten van € 45,70,- voor het opvragen van medische informatie.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het besluit van 8 juli 2014 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het

vernietigde besluit;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.550,70,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en E.J.J.M. Weyers en

R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2018.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) M.A.A. Traousis

CVG