Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2301

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-07-2018
Datum publicatie
27-07-2018
Zaaknummer
16/4359 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Amber-beoordeling. Uit (de) gegevens volgt niet dat bij appellant in de periode van vijf jaar na 1 augustus 1992 sprake is geweest van een periode van arbeidsongeschiktheid die aaneensluitend langer dan vier weken heeft geduurd. Onderkend wordt dat appellant rugklachten ondervond en nog steeds ondervindt, maar de gegevens van de huisarts duiden niet op rugklachten per 1 augustus 1992. De toelichting die appellant in de stukken en ter zitting heeft gegeven bij de door hem verrichte werkzaamheden in de veehandel na de intrekking van de WAO-uitkering, vormt onvoldoende bewijs voor zijn stelling dat hij door zijn rugklachten arbeidsongeschikt was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4359 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

24 mei 2016, 15/4048 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 26 juli 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.M. Stam, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. E. Schriemer, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is van 9 oktober 1991 tot 1 augustus 1992 in het genot geweest van een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

1.2.

Op 14 april 2014 heeft appellant het Uwv schriftelijk verzocht om de WAO-uitkering te heropenen. Appellant heeft in die aanvraag 12 april 1990 genoemd als eerste dag waarin hij door ziekte niet kon werken.

1.3.

Een verzekeringsarts van het Uwv heeft medisch onderzoek verricht. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 7 juli 2014 de aanvraag afgewezen en gesteld dat geen eerste arbeidsongeschiktheidsdag met aansluitend 52 of 104 weken wachttijd kan worden vastgesteld.

1.4.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 7 juli 2014. Door een verzekeringsarts bezwaar en beroep is onderzoek verricht. Bij beslissing op bezwaar van

8 juni 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar vervolgens ongegrond verklaard. Het Uwv heeft het eerdere standpunt bevestigd dat er onvoldoende aanwijzingen zijn om een concrete eerste arbeidsongeschiktheidsdag vast te stellen vanaf 1 augustus 1992, die gevolgd wordt door een aaneengesloten periode van 52 weken arbeidsongeschiktheid.

2. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak is dat beroep ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van

27 november 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4306) waaruit volgt dat het risico dat de medische toestand als gevolg van het tijdsverloop niet meer kan worden vastgesteld, rust op degene die de laattijdige aanvraag doet, heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie dat op basis van de ter beschikking staande informatie niet op verantwoorde wijze kan worden vastgesteld wat de medische situatie was van appellant in de periode van 1 augustus 1992 tot 1 augustus 1997.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant nadere informatie ingebracht over zijn medische klachten en heeft hij zijn activiteiten als werknemer en als zelfstandige over de jaren na 1992 toegelicht. Daarbij is toegelicht hoe hij na de intrekking van zijn WAO-uitkering in zijn inkomen heeft voorzien. Ter zitting is vastgesteld dat in hoger beroep nog slechts aan de orde is of de medische gegevens voldoende aanleiding geven om te concluderen dat de

WAO-uitkering van appellant in de periode van vijf jaar na 1 augustus 1992 zou moeten worden heropend. Appellant stelt zich op het standpunt dat er voldoende gegevens zijn die dwingen tot die conclusie.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 43a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO, vindt toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats, indien degene wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van arbeidsongeschikt is ingetrokken, binnen vijf jaar na de datum van die intrekking arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten, zodra die arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.

4.2.

Aangezien appellant tot 1 augustus 1992 in het genot is geweest van een uitkering op grond van de WAO en hij aanspraak maakt op een uitkering vanaf die datum, moet worden bezien, gelet op artikel 43a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO, of er in de periode van vijf jaar na 1 augustus 1992 sprake is van toename van de arbeidsongeschiktheid. Anders dan blijkt uit het bestreden besluit, gaat het, gelet op artikel 43a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO, niet om een wachttijd van 52 of 104 weken, maar om een aaneengesloten periode van arbeidsongeschiktheid van vier weken. Ter zitting is door het Uwv toegelicht dat in deze zaak, overeenkomstig het genoemde artikel, een zogenoemde Amber-beoordeling heeft plaatsgevonden.

4.3.

Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld moet volgens vaste rechtspraak van de Raad de omstandigheid dat door tijdsverloop de medische situatie niet meer verantwoord is vast te stellen voor risico blijven van de degene die (alsnog) de late aanvraag doet. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 3 april 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1963) en 27 november 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4306).

4.4.

De door appellant ingebrachte medische gegevens bieden onvoldoende steun voor zijn standpunt dat hij na 1 augustus 1992 arbeidsongeschikt is gebleven. Uit het huisartsenjournaal blijkt dat appellant in juli 1991 surmenageklachten had. Volgens therapeut

H.W.M. Theunissen onderging appellant tussen 1992 en 1994 en een periode in 1995 individuele therapie en is hij (eerst) in 2005 weer terug geweest voor enkele gesprekken. Verder is er een verklaring van fysiotherapeut H.K. Dam dat appellant vanaf ongeveer 1987 tot en met begin van de jaren negentig is behandeld voor rugklachten. Het huisartsenjournaal geeft wel in 1997 en 1998 nog enige aantekeningen, maar de betreffende klachten hebben geen relatie met de klachten op grond waarvan appellant destijds een

WAO-uitkering is toegekend.

4.5.

Uit deze gegevens volgt niet dat bij appellant in de periode van vijf jaar na 1 augustus 1992 sprake is geweest van een periode van arbeidsongeschiktheid die aaneensluitend langer dan vier weken heeft geduurd. Onderkend wordt dat appellant rugklachten ondervond en nog steeds ondervindt, maar de gegevens van de huisarts duiden niet op rugklachten per

1 augustus 1992. De toelichting die appellant in de stukken en ter zitting heeft gegeven bij de door hem verrichte werkzaamheden in de veehandel na de intrekking van de WAO-uitkering, vormt onvoldoende bewijs voor zijn stelling dat hij door zijn rugklachten arbeidsongeschikt was.

4.6.

Gelet op de onderdelen 4.2 tot en met 4.5 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2018.

(getekend) H.G. Rottier

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

RB