Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2300

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-07-2018
Datum publicatie
27-07-2018
Zaaknummer
16/3744 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt. Dat thans een andere diagnose is gesteld betekent niet dat de beperkingen destijds onjuist zijn vastgesteld. Daarbij komt dat de huidige behandelaars zelf hebben aangegeven dat zij niet beschikken over eerdere gegevens en daarom geen zekere uitspraken kunnen doen ten aanzien van de volgordelijkheid van gebeurtenissen, ontstaan van symptomen en verergering en is uit hun rapport af te leiden dat het met appellant in ieder geval op enig moment ná de datum thans in geding in psychisch opzicht slechter is gegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 3744 WIA

Datum uitspraak: 26 juli 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

26 april 2016, 15/4836 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.B. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door C. Roele.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was laatstelijk werkzaam als constructiebankwerker voor 39,98 uur per week. Hij heeft zich op 30 augustus 2012 ziek gemeld wegens psychische klachten. Op
14 augustus 2014 heeft appellant een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Hij is op 12 september 2014 onderzocht door een arts van het Uwv. Deze arts heeft de beperkingen van appellant weergegeven in een zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 12 september 2014. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend. Bij besluit van 6 oktober 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 28 augustus 2014 geen recht is ontstaan op WIA-uitkering, omdat appellant met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschiktheid was.

1.2.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 oktober 2014. Bij beslissing op bezwaar van 17 september 2015 (bestreden besluit) is dat bezwaar ongegrond verklaard. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de belastbaarheid van appellant aangescherpt en een aanvullende beperking opgenomen in de FML. Daarover heeft hij gerapporteerd in een rapport van 25 augustus 2015. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in een rapport van 26 augustus 2015 vastgesteld dat deze aanscherping van de belastbaarheid geen gevolgen heeft voor het recht op uitkering op grond van de Wet WIA. De vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid bedraagt (nog steeds) minder dan 35%.

2. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te oordelen dat de onderzoeken van de verzekeringsartsen onvolledig of onzorgvuldig zijn geweest. De rechtbank heeft evenmin aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde beperkingen zoals die zijn weergegeven in de FML. De rechtbank heeft overwogen dat de informatie van de behandelaars van appellant is betrokken bij het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Appellant heeft daarnaast geen (medische) stukken ingebracht die zijn stelling kunnen onderbouwen dat hij meer beperkt is dan is aangenomen.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat inmiddels is vastgesteld dat hij lijdt aan een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Uit een brief van 10 mei 2016 van zijn nieuwe psychiater J.B.S. Mertens en psycholoog P.M. van Daalen blijkt dat zijn klachten als gevolg van PTSS dateren van voor de datum in geding, 28 augustus 2014.

3.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een reactie van 28 augustus 2014 op de aangevoerde gronden door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 4 van de Wet WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

4.2.

Het Uwv heeft zich voor de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid gebaseerd op de medische gegevens die bekend waren op de datum in geding. Daaronder bevindt zich informatie van psychiater L. Roubtsova. Met haar bevindingen is door het Uwv rekening gehouden. Dat thans een andere diagnose is gesteld betekent niet dat de beperkingen destijds onjuist zijn vastgesteld. Daarbij komt dat de huidige behandelaars zelf hebben aangegeven dat zij niet beschikken over eerdere gegevens en daarom geen zekere uitspraken kunnen doen ten aanzien van de volgordelijkheid van gebeurtenissen, ontstaan van symptomen en verergering en is uit hun rapport af te leiden dat het met appellant in ieder geval op enig moment ná de datum thans in geding in psychisch opzicht slechter is gegaan.

4.3.

Niet is gebleken dat de aan appellant voorgehouden functies in medisch opzicht niet voor hem geschikt zouden zijn. Dat de toekenning van een WIA-uitkering zou worden beschouwd als een erkenning van zijn problemen en appellant maatschappelijk verder zou kunnen helpen biedt geen grondslag voor de vaststelling van het door appellant verlangde recht.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2018.

(getekend) H.G. Rottier

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

RB