Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:229

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-01-2018
Datum publicatie
29-01-2018
Zaaknummer
16/2525 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toepassen kostendelersnorm bij echtgenoot die met andere echtgenoot en meerderjarig kind hoofdverblijf heeft. Mantelzorg voor zoon zonder inkomen rechtvaardigt geen uitzondering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/58
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 2525 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

11 maart 2016, 15/6314 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 23 januari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.A. Madern, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2017. Namens appellante is mr. Madern verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. H. van Golberdinge.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft op 2 juni 2015 een aanvraag ingediend om bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Op het aanvraagformulier heeft appellante vermeld dat zij woonachtig is op het adres [adres] (uitkeringsadres) en dat op dat adres tevens haar echtgenoot, [naam 1] ( [X] ), en haar twee kinderen wonen, van wie één, [Y] . Çalbayir ( [Y] ), meerderjarig is. Voorts heeft zij vermeld dat [X] een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ontvangt en dat zij financieel niet uitkomen.

1.2.

Bij besluit van 4 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 augustus 2015 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat de kostendelersnorm op appellante (lees: en op A) van toepassing is, omdat zij een woning deelt (lees: delen) met twee andere meerderjarige personen, en dat het gezinsinkomen hoger is dan de voor appellante geldende kostendelersnorm (lees: de som van de voor appellante en de voor A geldende kostendelersnorm).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [Y] meetelt bij het bepalen van de kostendelersnorm. De omstandigheid dat [Y] geen inkomen of vermogen heeft is daarbij niet van belang en de door appellante gestelde bijzondere omstandigheden maken niet dat van toepassing van de kostendelersnorm had moeten worden afgezien.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met ingang van 1 januari 2015 is met artikel 22a van de PW de zogenoemde kostendelersnorm ingevoerd. Deze houdt ingevolge het eerste lid, zoals dat luidde tot

1 januari 2016, in dat indien de belanghebbende met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, de norm per kalendermaand voor de belanghebbende, behoudens de uitzonderingssituaties zoals vermeld in het derde en vierde lid, wordt berekend volgens de formule (40% + A × 30%) / A) × B. Hierbij staat A voor het totaal aantal meerderjarige personen dat in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en B voor de rekennorm als bedoeld in het tweede lid.

4.1.2.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3870) heeft de wetgever met de introductie van de kostendelersnorm beoogd dat bij de vaststelling van de toepasselijke bijstandsnorm direct rekening wordt gehouden met de voordelen van het kunnen delen van de kosten met één of meer personen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben.

4.1.3.

Bij toepassing van de kostendelersnorm speelt de aard van het inkomen van elk van de kosten delende medebewoners geen rol. Evenmin is relevant de vraag of die medebewoners de kosten feitelijk delen en of elk van hen daadwerkelijk bijdraagt in die kosten. In dit verband wordt verwezen naar vaste rechtspraak (uitspraak van 3 juli 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA9386) die ook onder de werking van de PW zijn gelding behoudt.

Voorts is in de wetsgeschiedenis nadrukkelijk overwogen dat de voordelen waarmee de kostendelersnorm rekening houdt, los staan van de redenen waarom men de woning deelt (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 19, blz. 15-16).

4.2.

De te beoordelen periode loopt van 2 juni 2015 tot en met 4 juni 2015.

4.3.

Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat [Y] ten tijde in geding zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. [Y] is volgens appellante drugsverslaafd en was vaak niet thuis. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.3.1.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft dient te worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden. Appellante betwist niet dat [Y] in de te beoordelen periode stond ingeschreven op het uitkeringsadres in de basisregistratie personen. Voorts heeft appellante zelf op de aanvraag vermeld dat [Y] op het uitkeringsadres woonde. In het aanvullend bezwaarschrift van 13 augustus 2015 heeft appellante hierover geschreven dat [Y] af en toe langs kwam en bleef slapen. Ter zitting van de Raad heeft appellante verklaard dat [Y] thuis kon komen als hij dat wilde, dat hij één tot twee dagen in de week thuis was, dat hij er terecht kon voor eten en drinken, dat er spullen van hem lagen en dat hij zijn post ontving op het uitkeringsadres.

4.3.2.

Uit de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden volgt dat [Y] ten tijde in geding zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Dat hij ook geregeld elders verbleef, maakt dat niet anders.

4.4.

Appellante heeft verder aangevoerd dat zij in bijzondere omstandigheden verkeerde, op grond waarvan het college met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW van de kostendelersnorm had moeten afwijken. Zij heeft dit toegelicht met de stelling dat [Y] geen inkomen inbracht en drugsverslaafd was, zodat zij zich als moeder genoodzaakt voelde om hem op te vangen. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.

4.4.1.

In artikel 18, eerste lid, van de PW is bepaald dat het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen afstemt op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.

4.4.2.

Het gegeven dat [Y] geen inkomen inbracht vormt geen bijzondere omstandigheid die tot toepassing van deze bepaling aanleiding had moeten geven. In dit verband is de wetgeschiedenis van betekenis zoals weergegeven onder 4.1.2 en 4.1.3, waarin is verwoord dat de aard van het inkomen geen rol speelt en dat uitsluitend van belang is de mogelijkheid om kosten te delen van meerdere personen binnen dezelfde woning. Dat in de memorie van toelichting is opgenomen dat de wetgever wil voorkomen dat binnen een huishouden sprake kan zijn van stapeling van uitkeringen (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 1 en 2), doet niet af aan de doelstelling van de wetgever om te zorgen dat de bijstand houdbaar en toegankelijk blijft voor de toekomst. Dit wil de wetgever bereiken door bij de vaststelling van de toepasselijke bijstandsnorm rekening te houden met de voordelen van het delen van de kosten met één of meer personen met een hoofdverblijf binnen dezelfde woning.

4.4.3.

Voor zover appellante met de verwijzing naar de drugsverslaving van [Y] heeft betoogd dat sprake is van een mantelzorgsituatie en daarom van een omstandigheid die tot toepassing van artikel 18, eerste lid van de PW had moeten leiden, treft dit betoog geen doel. De wetgever heeft, zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 november 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:3875), bewust ervoor gekozen om de kostendelersnorm ook van toepassing te laten zijn op personen die een woning delen met een bloedverwant in de eerste of tweede graad en waarbij sprake is van een zorgbehoefte (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 19, blz. 15-16). De wetgever heeft tevens mantelzorgsituaties bewust niet uitgezonderd van de kostendelersnorm. De redenen van de gezamenlijke bewoning staan, aldus de wetgever, los van de voordelen waarmee de kostendelersnorm rekening houdt. Deze voordelen zijn ook aanwezig als een van de kosten delende bewoners mantelzorg verleent aan de ander. Gelet op het voorgaande kan de zorg die appellante aan [Y] verleende op zichzelf niet leiden tot de conclusie dat appellante in een situatie verkeerde die, bezien in het licht van datgene waarmee de wetgever bij de invoering van de kostendelersnorm rekening heeft gehouden, bijzonder was.

4.5.

Uit 4.3 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en F. Hoogendijk en G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2018.

(getekend) M. Hillen

(getekend) F. Dinleyici

HD