Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2289

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-07-2018
Datum publicatie
27-07-2018
Zaaknummer
17/6068 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:7963, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inleveren van dienstauto. Aan appellanten kan worden toegegeven dat zij voor het inleveren van de dienstauto niet financieel zijn gecompenseerd in die zin dat zij (al dan niet tijdelijk) een hogere financiële vergoeding zijn gaan ontvangen dan collega’s die voorheen niet over een dienstauto konden beschikken. Daarbij neemt de Raad, evenals de rechtbanken, in aanmerking, dat appellanten al langere tijd hadden kunnen weten dat het gebruik van de dienstauto in hun geval waarschijnlijk beëindigd zou worden. Bovendien hebben zij de dienstauto nog drie maanden kunnen gebruiken; zo’n verlenging is een passende tegemoetkoming bij een voorziening in natura zoals het gebruik van een dienstauto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2019/2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6068 AW, 17/7669 AW, 18/771 AW

Datum uitspraak: 26 juli 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van

20 juli 2017, 17/836, de rechtbank Rotterdam van 25 oktober 2017, 17/769, en de rechtbank Gelderland van 21 december 2017, 17/617 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[appellant 1] te [woonplaats 1], [appellant 2] te Leerdam en [appellant 3] te [woonplaats 3] (appellanten)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. W. de Klein, advocaat, hoger beroepen ingesteld en nadere stukken ingediend.

De korpschef heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 24 mei 2018, tezamen met de zaak 18/772 AW, in welke zaak heden afzonderlijk uitspraak is gedaan. Appellanten [appellant 1] en [appellant 2] zijn verschenen, bijgestaan door mr. De Klein, die tevens appellant [appellant 3] heeft vertegenwoordigd. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

P.A.C. van Reenen-Peters en J.C. Overgaag.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellanten zijn aangesteld bij de Dienst Landelijke Recherche van de Landelijke

Eenheid in de functie van operationeel specialist B ([appellant 1] en [appellant 3]) en operationeel specialist C ([appellant 2]) met - ten tijde van belang - als plaats van tewerkstelling Driebergen. In verband met hun functie hebben appellanten gedurende elf, respectievelijk negen jaar op grond van de Regeling functiegebonden voertuigen Klpd 2006 een dienstauto ter beschikking gehad voor dienstreizen en woon-werkverkeer.

1.2.

Bij besluiten van 22 juli 2016 heeft de korpschef appellanten opgedragen de hun

permanent voor zakelijk gebruik ter beschikking gestelde dienstauto’s in te leveren, omdat zij daarvoor ingevolge het nieuwe, per 1 juli 2014 geldende, Dienstautobeleid politie niet langer in aanmerking komen. Verder is meegedeeld dat zij de dienstauto binnen drie maanden na bekendmaking van het besluit dienen in te leveren, gelet op de “Tijdelijke regeling overgangsbeleid bij het niet langer de beschikking mogen hebben van een dienstauto voor zakelijk gebruik ” (Overgangsbeleid zakelijk gebruik). De daartegen ingediende bezwaren zijn bij besluiten van 22 december 2016 (bestreden besluiten) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraken hebben de rechtbanken de beroepen tegen de bestreden

besluiten ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding afgewezen. De rechtbanken hebben daartoe in verschillende bewoordingen en met onderlinge accentverschillen in essentie het volgende overwogen. De beroepsgrond van appellanten dat de bestreden besluiten onrechtmatig zijn, omdat de korpschef hun daarbij geen enkele vorm van compensatie heeft geboden, slaagt niet. Voor zover het besluit tot beëindigen van het gebruik van de dienstauto voor woon-werkverkeer en dienstreizen moet worden aangemerkt als een inmenging in het eigendomsrecht van appellanten in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is deze inmenging in het, aldus ruim opgevatte, eigendomsrecht van appellanten gerechtvaardigd. Zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van

15 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2138, over het Dienstautobeleid betreffende de beëindiging van het privégebruik van dienstauto’s, biedt artikel 27, eerste lid, van de Politiewet 2012 een wettelijke basis voor die inmenging. Er is bovendien een redelijke proportionaliteitsrelatie tussen de gekozen middelen en het doel van de maatregel, nu het gaat om gebruik van auto’s die aan de dienst toebehoren, terwijl een aanvaardbare vorm van compensatie is geboden in de vorm van een volledige kostenvergoeding voor openbaar vervoer en een financiële compensatie van € 0,18 per kilometer bij het gebruik van de eigen auto; voor dienstreizen kan zo nodig gebruik gemaakt worden van een pooldienstauto. De rechtbanken zijn verder van oordeel dat het Overgangsbeleid zakelijk gebruik niet kennelijk onjuist of onredelijk is, gelet op de mogelijkheid om de dienstauto nog drie maanden te blijven gebruiken. Deze periode is niet onredelijk kort, mede gelet op de geboden compensatie en het gegeven dat appellanten al langere tijd wisten of hadden kunnen weten dat het gebruik van de dienstauto voor dienstreizen en woon-werkverkeer op enig moment waarschijnlijk beëindigd zou worden. Daarbij hebben de rechtbanken belang gehecht aan het feit dat dit beleid in het kader van onderhandelingen over arbeidsvoorwaarden in het Centraal Georganiseerd Overleg Politie (CGOP) is geaccordeerd. Niet is gebleken van een zodanige onevenwichtigheid in het onderhandelingsresultaat, dat dit als onrechtmatig moet worden aangemerkt. Het beroep op de hardheidsclausule faalt. Dat het inleveren van de dienstauto financiële gevolgen heeft is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid die leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Het betreft hier gevolgen die bij de totstandkoming van het Dienstautobeleid zijn voorzien en waarvoor het Overgangsbeleid zakelijk gebruik is vastgesteld. Appellanten verschillen in dit opzicht niet van andere collega’s die dezelfde nadelige gevolgen ondervinden. Er is geen grond voor het oordeel dat de korpschef hen volledig dient te compenseren. De verzoeken om schadevergoeding zijn door de rechtbanken gelet op artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen, omdat de bestreden besluiten niet onrechtmatig zijn.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad onderschrijft in hoofdzaak wat de rechtbanken hebben overwogen. Naar aanleiding van wat in hoger beroep naar voren is gebracht, voegt de Raad daar nog het volgende aan toe.

4.2.

Appellanten worden niet gevolgd in hun stelling dat - voor zover gesproken kan worden van een inmenging in het eigendomsrecht in de zin van artikel 1 van het EP - sprake is van een “individual and excessive burden” als bedoeld in de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, nu aan hen geen of onvoldoende (extra) compensatie is geboden. Aan appellanten kan worden toegegeven dat zij voor het inleveren van de dienstauto niet financieel zijn gecompenseerd in die zin dat zij (al dan niet tijdelijk) een hogere financiële vergoeding zijn gaan ontvangen dan collega’s die voorheen niet over een dienstauto konden beschikken. Daarbij neemt de Raad, evenals de rechtbanken, in aanmerking, dat appellanten al langere tijd hadden kunnen weten dat het gebruik van de dienstauto in hun geval waarschijnlijk beëindigd zou worden. Bovendien hebben zij de dienstauto nog drie maanden kunnen gebruiken; zo’n verlenging is een passende tegemoetkoming bij een voorziening in natura zoals het gebruik van een dienstauto. Dat deze termijn op grond van het beleid voor de beëindiging van het zakelijk gebruik door betrokkenen korter was dan de termijn die gehanteerd werd bij het beëindigen van het privégebruik van dienstauto’s, waarover de Raad onder meer oordeelde in zijn onder 2 genoemde uitspraak, maakt dat beleid - gelet op het wezenlijke verschil tussen privégebruik en zakelijk gebruik - niet onrechtmatig. Voorts kan naar het oordeel van de Raad niet worden gesteld dat de volledige kostenvergoeding voor openbaar vervoer en de tegemoetkoming van € 0,18 per kilometer bij gebruik van de eigen auto (met een maximum van 120 kilometer voor een enkele reis), waarop appellanten volgens het Besluit reis,-, verblijf- en verhuiskosten politie (Brvvp) aanspraak kunnen maken, onaanvaardbaar tekortschieten. De extra kosten voor appellanten bij een keuze voor eigen vervoer, doordat zij nu een eigen auto voor woon-werkverkeer moeten gebruiken, waarvoor de tegemoetkoming van € 0,18 per kilometer niet (geheel) toereikend is, vormen ook naar het oordeel van de Raad geen onbillijkheid van overwegende aard.

4.3.

Eerdere uitspraken van de Raad over (enigszins vergelijkbare) gevallen, waarop appellanten zich hebben beroepen, geven geen reden om tot een ander oordeel te komen. In de uitspraak van 8 augustus 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AI1319, die eveneens betrekking had op gewijzigd vervoerbeleid, ging het, zoals de korpschef heeft uiteengezet, om een op wezenlijke punten verschillende situatie. In die zaak moest de dienstauto binnen een week worden ingeleverd, gold geen overgangsbeleid en was slechts sprake van een gemaximeerde financiële compensatie van ten hoogste € 91,21 per maand, ongeacht de wijze van vervoer. Ook de situatie in de uitspraak van 30 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1346, waar sprake was van intrekking van een persoonlijke toelage die deel was gaan uitmaken van de bezoldiging, is te zeer verschillend van het hier voorliggende geval om daar voor appellanten conclusies aan te verbinden.

4.4.

Appellanten hebben betoogd dat zij op grond van artikel 3, tweede lid, van het Brvvp een (jaarlijks) keuzerecht hebben tussen hetzij een tegemoetkoming voor openbaar vervoer, hetzij een tegemoetkoming voor eigen vervoer al dan niet in combinatie met openbaar vervoer. De rechtbank heeft dit wettelijke keuzerecht miskend en is er daarom ten onrechte van uitgegaan dat de korpschef een aanvaardbare vorm van compensatie heeft geboden. De rechtbank had niet voorbij mogen gaan aan de bijzondere omstandigheden van appellanten, die meebrengen dat de keuze voor openbaar vervoer in hun geval ondoelmatig is, waardoor zij feitelijk gedwongen zijn voor eigen vervoer te kiezen, waaraan echter geen adequate vergoeding is verbonden. De Raad kan appellanten niet volgen in dit betoog. Daargelaten of gesproken kan worden van een wettelijk keuzerecht als door appellanten bedoeld, stelt de Raad vast dat zij

- net als hun collega’s - onverminderd de keuze hebben tussen openbaar vervoer en eigen vervoer. Dat bij eigen vervoer een deel van de kosten voor eigen rekening blijft, doet hier niet aan af.

4.5.

Appellanten kunnen voorts niet worden gevolgd in hun stelling dat de rechtbanken ten onrechte belang hebben gehecht aan het feit dat het Overgangsbeleid zakelijk gebruik is geaccordeerd in het CGOP. Volgens appellanten is uitsluitend sprake van nadelen, waardoor toepassing van het beleid jegens appellanten als onrechtmatig moet worden aangemerkt. Appellanten verwijzen naar de uitspraken van de Raad van 24 februari 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AS8562 en van 27 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:662. De Raad wijst erop dat in deze uitspraken juist wordt overwogen dat wijzigingen in arbeidsvoorwaarden voor de betrokken ambtenaren onderling verschillend kunnen uitwerken, dat dit inherent is aan het systeem van collectieve arbeidsvoorwaardenvorming en dat dit in beginsel niet onrechtmatig is te achten. Evenals in die uitspraken komt de Raad ook in dit geval tot de conclusie dat ten aanzien van de categorie ambtenaren waartoe appellanten behoren geen sprake is van zodanige onevenwichtigheid of onbillijkheid, dat het formaliseren van het onderhandelingsresultaat jegens hen in algemene zin als onrechtmatig zou moeten worden aangemerkt. Daarbij wordt opgemerkt dat reeds omdat voorzien is in een overgangstermijn, geen sprake is van een regeling met uitsluitend nadelen jegens appellanten.

4.6.

Namens appellanten is ter zitting van de Raad nog betoogd dat de korpschef inconsistent heeft gehandeld in verband met de vorming van een nationaal politiekorps, door bij de afschaffing van uiteenlopende regelingen van de voormalige regiokorpsen afbouwtoelagen toe te kennen, maar daar in dit geval vanaf te zien. De Raad moet vaststellen dat appellanten deze stelling onvoldoende concreet hebben gemaakt. De lijsten die door appellanten zijn overgelegd bevatten met name allerhande financiële toelagen, die niet zonder meer vergelijkbaar zijn met het gebruik in natura, waarvan in dit geval sprake is.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat de hoger beroepen niet slagen. De aangevallen uitspraken komen voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en B.J. van de Griend en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2018.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) A.M. Pasmans

RH