Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2286

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-07-2018
Datum publicatie
27-07-2018
Zaaknummer
18/551 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen tijdelijke bezoldiging in salarisschaal 9.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 551 AW

Datum uitspraak: 26 juli 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

18 december 2017, 16/5014 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. P.W. Kuijper hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Kuijper. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M. Dijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam bij de politie. Hij was aangesteld in de functie van Coördinator Vreemdelingendienst (salarisschaal 8) bij de Dienst Vreemdelingenzaken van de voormalige politieregio [regio] en is met ingang van 1 juli 2016 geplaatst in de functie van senior GGP (salarisschaal 8) bij de [Eenheid] , Dienst Regionale Recherche, Vreemdelingenpolitie, Handhaving en Toezicht.

1.2.

Bij besluit van 21 december 1998 heeft de procureur-generaal (PG) bij het gerechtshof Arnhem appellant op grond van artikel 3, tweede lid, van de Regeling hulpofficieren van justitie 1996 met ingang van 17 december 1998 aangewezen als hulpofficier van justitie (hovj) voor de duur van zijn tewerkstelling bij de Dienst Vreemdelingenzaken. Bij besluit van 19 maart 2002, waarbij aan de functiebeschrijving van appellant is toegevoegd dat hij in voorkomende gevallen (op aanwijzing van de PG) optreedt als hovj, is vermeld dat de aanwijzing door de PG is beperkt tot de Vreemdelingenwetgeving.

1.3.

Bij besluit van 10 mei 2007 heeft de korpschef appellant met ingang van 1 januari 2007 gedurende de periode dat hij diensten als hovj verricht een toelage toegekend ter grootte van het verschil tussen de voor appellant geldende bezoldiging van salarisschaal 8 en de bezoldiging behorend bij salarisschaal 9, trede 12 (later: trede 13).

1.4.

Bij brief van 12 augustus 2015 heeft appellant de korpschef verzocht om hem met ingang van 1 januari 2007 - subsidiair met ingang van de datum van het verzoek - alsnog salarisschaal 9 toe te kennen. Hij heeft zich daarbij beroepen op een hem gebleken vaste gedragslijn in de voormalige politieregio [regio] om politieambtenaren die werkzaamheden als hovj verrichten salarisschaal 9 toe te kennen.

1.5.

Bij besluit van 14 september 2015 heeft de korpschef appellant aangewezen als politieambtenaar met voldoende kennis en kunde die bevoegd is tot het uitvoeren van bepaalde in het besluit genoemde taken ingevolge de Vreemdelingenwet. Bij de toezending van dit besluit is appellant meegedeeld dat zijn bevoegdheid om als hovj op te treden vooralsnog in stand blijft. Die bevoegdheid heeft appellant niet meer vanaf 22 mei 2016, de dag dat zijn certificaat vereist voor het optreden als hovj niet langer geldig is. Sindsdien

voert appellant de in het besluit van 14 september 2015 genoemde taken ingevolge de Vreemdelingenwet uit op grond van dat besluit en ontvangt hij daarvoor een functioneringstoelage.

1.6.

Bij besluit van 7 december 2015 heeft de korpschef het in 1.4 genoemde verzoek afgewezen op de grond dat de door appellant bedoelde, voormalige vaste gedragslijn niet op hem van toepassing is.

1.7.

Bij besluit van 11 juli 2016 (bestreden besluit) heeft de korpschef de bezwaren tegen de besluiten van 14 september 2015 en 7 december 2015 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en de korpschef veroordeeld tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

3. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

3.1.

Het hoger beroep richt zich uitsluitend tegen het oordeel van de rechtbank over de afwijzing van zijn verzoek om hem vanaf 1 januari 2007 alsnog salarisschaal 9 toe te kennen voor de werkzaamheden die hij als hovj heeft verricht.

3.2.

De korpschef heeft in hoger beroep herhaald dat de met de invoering van de nationale politie vervallen vaste gedragslijn in de voormalige politieregio [Eenheid] inhield dat een hovj-gecertificeerde politieambtenaar met een functie in salarisschaal 8 tijdelijk werd bezoldigd in salarisschaal 9, zolang deze politieambtenaar werd ingezet voor reguliere hovj-diensten in de Basispolitiezorg/Gebiedsgebonden Politie (BPZ/GGP).

3.3.

Appellant heeft gesteld, onder verwijzing naar de besluitvorming in de zaken van twee andere politieambtenaren, dat die vaste gedragslijn slechts blijk geeft van twee voorwaarden: drie jaar werkzaam in de uitvoerende politiedienst en het bezit van een hovj-certificaat. De korpschef heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant met zijn stelling een onvolledige samenvatting van de voorwaarden van de gedragslijn heeft gegeven. Het enkele feit dat de besluitvorming in de twee zaken waar appellant naar heeft verwezen geen precieze omschrijving van de vaste gedragslijn bevat, betekent niet dat de inzet voor reguliere

hovj-diensten in de BPZ/GGP geen voorwaarde was voor tijdelijke bezoldiging in salarisschaal 9. Ook de twee collega’s die op grond van een toezegging nog na de invoering van de nationale politie op grond van de gedragslijn tijdelijk zijn bezoldigd in salarisschaal 9, werden voor reguliere hovj-diensten in de BPZ/GGP ingezet.

3.4.

De stelling van appellant dat de situatie van een van de collega’s overeenkomt met zijn situatie doordat zij beiden op een deelgebied van de GGP als hovj werkzaam zijn of zijn geweest - de betreffende collega op het werkterrein Jeugd en appellant op het werkterrein Vreemdelingen - treft evenmin doel. De korpschef heeft er in dit verband terecht op gewezen dat de werkzaamheden en bevoegdheden van die collega als hovj ten aanzien van jeugdigen het gehele strafrechtelijke gebied bestrijken, terwijl de werkzaamheden en bevoegdheden van appellant ten aanzien van vreemdelingen nu juist primair en nagenoeg geheel betrekking hadden op de Vreemdelingenwetgeving. Dat appellant in het kader van het Landelijk Functiehuis Nationale Politie is gematcht in de functie senior GGP en met ingang van

1 juli 2016 ook in die functie is geplaatst, leidt niet tot een ander oordeel.

3.5.

De Raad is dan ook met de korpschef en de rechtbank van oordeel dat de vaste gedragslijn niet op appellant van toepassing is, zodat hij over de periode van 1 januari 2007 tot 22 mei 2015 niet in aanmerking komt voor een tijdelijke bezoldiging in salarisschaal 9.

3.6.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2018.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) J. Tuit

LO