Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2278

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-07-2018
Datum publicatie
27-07-2018
Zaaknummer
17/4537 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:3322, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft in strijd met artikel 13.5 van de CAO VO 2014/2015 de intrekking van de toelage van appellante met ingang van 1 september 2015 ten onrechte gehandhaafd. Vernietiging uitspraak. Beroep gegrond. Vernietiging besluit. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door aan appellante vanaf 1 september 2015 op basis van de afgesproken reguliere werktijden de toeslag toe te kennen als bedoeld in artikel 13.6 van de CAO VO 2014/2015 en artikel 13.5 van de CAO VO 2016/2017.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/388
TAR 2019/3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/4537 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 31 mei 2017, 16/8139 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het College van bestuur van de Stichting Scholengroep Pontes (college)

Datum uitspraak: 26 juli 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.W. van Duijnhoven hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Duijnhoven. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. A. Klaassen en A.P. de Nooijer-van Brummelen.

De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.


Een nadere zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Duijnhoven. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A. Klaassen en A.P. de Nooijer-van Brummelen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is sinds 1 augustus 2007 werkzaam als schoonmaker, salarisschaal 2, bij de thans geheten [naam werkgever] , met een werktijdfactor van 0,5. Partijen hebben afgesproken dat appellante haar werkzaamheden verricht op maandag tot en met donderdag van 14.30 uur tot 19.30 uur.

1.2.

Op 14 juli 2015, bevestigd bij e-mail van 28 juli 2015, is aan appellante meegedeeld dat haar onregelmatigheidstoeslag (toeslag), die zij sinds haar aanstelling ontving, met ingang van
1 september 2015 wordt beëindigd.

1.3.

Appellante heeft het college bij brief van 26 november 2015 verzocht om terug te komen van die beëindiging.

1.4.

Bij besluit van 16 juni 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 augustus 2016 (bestreden besluit), heeft het college de intrekking van de toeslag gehandhaafd. Aan het bestreden besluit ligt, voor zover thans nog van belang, ten grondslag dat onder het woord “regelmatig” in artikel 13.6, eerste lid, aanhef en onder b, van de CAO VO 2014/2015 (artikel 13.5, eerste lid, aanhef en onder b, in de CAO VO 2016/2017) dient te worden verstaan “van tijd tot tijd”. De bepaling ziet daarom niet op medewerkers die, op grond van hun aanstelling, op vaste basis gedeeltelijk arbeid verrichten buiten de in dat artikel genoemde werktijden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft aan haar oordeel, voor zover hier van belang, het volgende ten grondslag gelegd. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de zinsnede “de werknemer, die regelmatig arbeid verricht” in artikel 13.6, eerste lid, aanhef en onder b, van de CAO VO 2014/2015 moet worden begrepen als “de werknemer, die van tijd tot tijd arbeid verricht”. Deze bepaling ziet daarom niet op medewerkers die op vaste basis arbeid verrichten buiten de in de bepaling genoemde werktijden. Nu appellante erkent dat zij vaste werktijden heeft die voor een deel zijn gelegen buiten 8.00 en 18.00 uur, voldoet zij niet aan de in de toepasselijke bepaling te lezen voorwaarde dat sprake is van een afwijking van de reguliere werktijden. Het college heeft daarom niet ten onrechte afgezien van toepassing van de bevoegdheid om terug te komen van de eerdere besluitvorming.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Centraal in deze zaak staat de vraag welke uitleg moet worden gegeven aan artikel 13.6, eerste lid, aanhef en onder b, van de CAO VO 2014/2015 en artikel 13.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de CAO VO 2016/2017.

3.2.

Het eerste lid van die bepalingen luidt als volgt:

“Toelage in verband met onregelmatige diensten

1. De werkgever kent een toelage toe aan de werknemer

a. voor wie het salaris wordt vastgesteld volgens een der schalen 1 tot en met 8 en

b. die regelmatig arbeid verricht op andere tijden dan op maandag tot en met vrijdag tussen 8.00 en 18.00 uur, welke arbeid niet kan worden aangemerkt als compensatie in de zin van artikel 6.3 lid 1.”

3.3.

Op grond van het tweede lid van deze bepalingen bedraagt de toelage 20% van het salaris per uur dat gewerkt is op maandag t/m vrijdag tussen 06.00 en 08.00 uur of 18.00 en 22.00 uur en indien de arbeid is aangevangen voor 07.00 uur respectievelijk is beëindigd na 19.00 uur.

3.4.

De Raad stelt voorop dat onder de term “onregelmatige diensten” zoals gebruikt in de titel van de bepalingen, in het dagelijks spraakgebruik diensten buiten kantooruren plegen te worden verstaan. De term is in dat spraakgebruik niet zodanig vastomlijnd dat de Raad aan de titel van de bepalingen enige beperking van de reikwijdte daarvan in het hier aan de orde zijnde opzicht ontleent.

3.5.

Vervolgens is dan de vraag welke beperkende werking het in het eerste lid, aanhef en onder b, gebruikte woordje “regelmatig” nu precies heeft. Het woord regelmatig kan in het dagelijks spraakgebruik zowel betekenen “van tijd tot tijd” als “volgens de regel”. De Raad kan zich voorstellen dat daarmee incidentele gevallen, waarin eens een keertje, bij wijze van uitzondering, wat langer wordt doorgewerkt, buiten de reikwijdte van de bepaling vallen. Niet in te zien valt echter dat ook gevallen zijn uitgezonderd waarin het werken buiten kantooruren nu juist op vaste basis geschiedt. Welke van de twee betekenissen immers ook aan het woord “regelmatig” wordt gegeven, er kan moeilijk worden volgehouden dat de werkzaamheden van iemand als appellante níet regelmatig buiten kantooruren worden verricht. De Raad vindt bevestiging voor dit standpunt in overeenkomstige bepalingen in andere rechtspositieregelingen, bijvoorbeeld artikel 17 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984. De formulering van deze bepaling lijkt sterk op die van de hier aan de orde zijnde bepalingen, zij het dat overwerk daarin wordt uitgezonderd. Krachtens genoemde bepaling plegen vaste, ingeroosterde uren - juist - niet van de toeslag te worden uitgezonderd. De Raad merkt daarbij op dat het nadeel van het werken buiten de reguliere kantooruren ook niet groter is voor iemand die dat weliswaar vaker dan één enkele keer, maar niet op vaste basis doet, dan voor iemand die dat, jaar in, jaar uit, en dus met een alleen nog maar grotere frequentie, op vaste dagen doet. In zoverre mist de door het college voorgestane uitleg dan ook een begrijpelijke inhoudelijke grondslag. Die uitleg is bovendien dusdanig specifiek dat zij bezwaarlijk aan dat ene woordje valt op te hangen. De Raad gaat ervan uit dat als het werkelijk de bedoeling was geweest om aan de ene kant de strikt incidentele gevallen, maar aan de andere kant ook de ‘vaste’ gevallen uit te zonderen, en dus alleen een soort tussencategorie over te houden - het college heeft het voorbeeld aangedragen van een leerkracht die gedurende een maand buiten kantooruren met een klas een musical repeteert - dat dan wel in duidelijker bewoordingen in de CAO VO zou zijn vastgelegd.

3.6.

Uit 3.1 tot en met 3.5 volgt dat het college in strijd met artikel 13.5 van de CAO VO 2014/2015 de intrekking van de toelage van appellante met ingang van 1 september 2015 ten onrechte is gehandhaafd. Dit betekent dat het hoger beroep van appellante slaagt en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door aan appellante vanaf 1 september 2015 op basis van de afgesproken reguliere werktijden de toeslag toe te kennen als bedoeld in artikel 13.6 van de CAO VO 2014/2015 en artikel 13.5 van de CAO VO 2016/2017.

4. Het voorgaande geeft aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellante, tot een bedrag van € 1.002,- in beroep en een bedrag van € 1.503,- in hoger beroep voor verleende rechtstand en een bedrag van € 85,04 voor reiskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 30 augustus 2016;

- kent aan appellante vanaf 1 september 2015 op basis van de afgesproken werktijden de
toeslag toe als bedoeld in artikel 13.6 van de CAO VO 2014/2015 en artikel 13.5 van de
CAO VO 2016/2017 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van
30 augustus 2016;

- veroordeelt het college in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 2.590,04;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht
van in totaal € 418,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en B.J. van de Griend en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2018.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) S.A. de Graaff

IJ